Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/11.5.1
11.5.1 De invloed van Europees resp. nationaal recht op het handhavingsstelsel (D en F)
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492436:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Antwoord van Commissaris Kuneva op een vraag van MEP Caspary 25 juni 2008, E-3579/08EN, onder 3. Lidstaten zijn wel vrij om die te verschaffen. Uit art. 11 lid 1 richtlijn blijkt dat concurrenten een mogelijkheid moeten krijgen om op te treden tegen oneerlijke handelspraktijken. Die mogelijkheid is de Nederlandse handelaar ontzegd. Hij zal zich net als de Engelse handelaar tot de toezichthouder moeten richten. Mogelijk zal net als in Frankrijk reflexwerking kunnen uitgaan van de richtlijnnormen op de onrechtmatige daad. Van Boom 2008a, p. 11. De correctie-Langemeijer biedt mogelijk uitkomst.
Vgl. art. 3:305d lid 2 BW en Reg. 4 CPR 2008.
Van Dam 2009.
Zie over de remedies voor de individuele consument het in 2011 te verschijnen WODC-rapport.
Collins 2004, p. 36-39; Willett 2007, p. 432: Willett acht het mogelijk dat de leerstukken van `misrepresentation' en `undue influence' door de uitleg van de gelijkluidende richtlijnnormen i.h.k.v. het toezicht op de CPR 2008 zullen worden beïnvloed. Memorandum BERR 2008, ov. 5: 'For example 'undue influence' in the Directive appears to be morejlexible compared with the ability in domestic law to rescind a contract which has been entered info as a resuli of undue influence.'
Op deze keuze is veel kritiek geuit en discussie ontstaan (zie ook EP 2010, ov. 12). Na de consultatieronde van 2005 zijn de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen en is uiteindelijk afgezien van individuele remedies. De gemaakte keuze wordt door de regering onderbouwd en toegelicht in Memorandum BERR, maart 2008. Zij wordt bevestigd in McGuffick/The Royal Bank of Scoiland Plc [2009] EWHC 2386 (Comm).
Ktr. Zaandam 2 april 2009, LJN BI1561. Het leerstuk van misbruik van omstandigheden werd uitgelegd in het licht van art. 8 en 9 richtlijn en dat van de dwaling in dat van art. 3, 6 en 7 richtlijn en praktijk nr. 17 van de lijst.
Memorandum BERR 2008, ov. 9. Een individuele, door de consument in te stellen rechtsgang zou in combinatie met een ruime uitleg van de flexibele normen ten koste gaan van de belangen van handelaren (` by potentially providing consumers with undesirable latitude to sue traders').
De individuele consument en hem vertegenwoordigende organisaties (art. 3:305b en 3:305a BW) komt een rechtstreeks beroep toe op afdeling 6.3.3A BW.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 2 en Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 6.
Handelingen II 2007/08, 30 928, nr. 14, p. 939-940.
Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, p. 16.
Shears 2007, p. 794: `criminal breaches must be clearly defined'; Govemment Response, februari 2008, p. 22.
Over de houdbaarheid van het argument t.a.v. de bestuurlijke sancties: Van Boom 2008a, p. 15.
Op een enkele uitzondering na: de niet-naleving van een gedragscode ex art. 6 lid 2 onder b richtlijn (Reg. 5(3)(6)) vormt zo blijkt uit Reg. 9 geen `offence' naar Engels recht.
Ktr. Zaandam 2 april 2009, LJN BI1561.
Zowel in B2C- als in B2B-zaken: JProx de Lorient 27 augustus 2009, nr. 91-08-000276. Dergelijke zaken kunnen worden ingesteld door consumenten maar ook door concurrenten (oneerlijke concurrentie): vgl. CA Parijs 14 mei 2009, nr. 09/03660, D 2009, p. 1475, bevestigd in Cass. Com. 13 juli 2010, nr. 09-15304 en 0966970, Bull. civ. 2010 IV, nr. 127.
De schending van art. L.111-1 C.conso. kent geen civielrechtelijke sanctie. De rechter koppelt deze schending soms aan het leerstuk van de `nullité du contrat': Picod en Davo 2005, nr. 190.
Europese invloed
704. De keuze voor een handhavingsmechanisme wordt deels ingegeven door de richtlijn zelf. De richtlijn zegt niets over het recht van individuele consumenten om in rechte een beroep te doen op de omzettingsbepalingen. De individuele (civielrechtelijke) handhaving van de richtlijn ligt echter niet meteen voor de hand gelet op de vele abstracte maatstaven en het feit dat de oneerlijkheidsnorm de regels inzake rechtshandeling en overeenkomst onverlet laat (art. 3 lid 2 richtlijn). De richtlijn verleent volgens de Commissie geen rechtstreekse rechten aan individuele consumenten.1
Art. 11 richtlijn verplicht de lidstaten te zorgen voor een wettelijke grondslag op basis waarvan personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken, inclusief concurrenten, in rechte kunnen optreden tegen dergelijke handelspraktijken of een administratieve instelling kunnen inschakelen die een uitspraak doet of een gerechtelijke procedure start.
Art. 11 luidt: 'De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.'
Art. 11 lid 2 richtlijn vereist eigenlijk slechts dat de handhavingsinstanties — welke die ook zijn — bevoegd zijn om bij wege van voorlopige of definitieve voorziening de staking van een oneerlijke handelspraktijk te bevelen of een verbod op te leggen. Art. 11 is zo breed geformuleerd dat de lidstaten hierbij veel manoeuvreerruimte hebben.2 Het tweede deel van art. 11 lid 1 geeft de lidstaten zelfs de keuze om wel of niet op te treden tegen (houders van) gedragscodes waarin oneerlijke handelspraktijken in de zin van de richtlijn worden gepromoot (onder b).3 Hetzelfde geldt voor de te kiezen sancties: art. 13 richtlijn vergt alleen dat deze 'doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn'.
`De richtlijn laat de lidstaten dus een ruime marge voor het kiezen van de geëigende instrumenten. Daarmee is disharmonisatie gegeven.'4
Verordening (EG) nr. 2006/2004 heeft ertoe geleid dat Nederland een algemene publiekrechtelijke toezichthouder op het gebied van het consumentenrecht kreeg. In de andere twee bestudeerde rechtsstelsels was, voor die tijd, al sprake van een `algemene' toezichthouder. De bepalingen uit de richtlijn zijn volgens art. 16 toegevoegd aan de bijlage bij deze verordening (alsook aan de (gewijzigde) Richtlijn 2009/22/EG inzake het doen staken van grensoverschrijdende inbreuken).
Nationale invloed
705. De door de nationale wetgever te maken keuzes betroffen onder meer:
een eventuele door de individuele concurrent en/of consument in te stellen (civielrechtelijke) procedure en bijbehorende remedies;5
de vraag welke rechter (of rechters), naast de civiele rechter (in het kader van de verbodsactie en eventuele individuele procedure), de normen zullen handhaven; de vraag hoe ver de zelfstandige handhavende bevoegdheden van de toezichthouder reiken (sanctiebevoegdheid bij open normen bijvoorbeeld).
Bij de keuze voor een handhavingsstelsel ging een sterke invloed uit van de vertrouwdheid met open normen en het aspect van de belangenafweging, de plaats waar het handelspraktijkenrecht werd geregeld voorafgaand aan de richtlijn en de voor de handhaving van dit recht verantwoordelijke rechter(s).
706. De vrees dat common law-leerstukken zouden kunnen worden beïnvloed door de richtlijnnormen,6 is een reden geweest voor de Engelse regering om af te zien van de mogelijkheid van een individuele gang naar de civiele rechter.7 Dat de Engelse vrees niet geheel ongegrond is blijkt uit recente Nederlandse rechtspraak.8Verwacht wordt bovendien dat de flexibel geformuleerde normen met het oog op de beschermingsdoelstelling ruim zullen worden uitgelegd. Omdat een ruime uitleg van de open normen in een individuele context niet altijd gerechtvaardigd zal zijn, is gekozen voor een stelsel van collectief toezicht.9 In Nederland zijn de individuele consument wel rechten toegekend op grond van de open richtlijnnormen. De Nederlandse wetgever gaat er niet bij voorbaat vanuit dat de normen steeds ruim, i.e. in het voordeel van de consument, zullen worden uitgelegd. De flexibele normen bieden ruimte voor een afweging al naar gelang de omstandigheden van het geval. Is een ruime uitleg niet gerechtvaardigd in het individuele geval dan zal de rechter voor een striktere uitleg kiezen.
707. Dat de richtlijnnormen een concrete belangenafweging vergen, heeft in Nederland aanvankelijk geleid tot de keuze om de handhaving van de norm ook voor wat betreft het toezichtsdeel, in lijn met het duale Whc-stelsel, aan de civiele rechter over te laten.10 Deze zou het beste in staat zijn die belangenafweging te verrichten. Het wetsvoorstel ter omzetting van de richtlijn beperkte de zelfstandige handhaving van de richtlijnnormen door de CA tot de gesloten normen.11 De 'professionele toewijding' werd als een voorbeeld genoemd van een civielrechtelijk te handhaven open norm.12 Tijdens de behandeling van de Wet OHP heeft de uitgesproken voorkeur om concrete afwegingen aan de civiele rechter over te laten het moeten afleggen tegen de roep om zwaardere sancties. Omdat de civiele rechter geen punitieve sancties mag opleggen, is de handhaving van de open richtlijnnormen in het kader van de Whc uiteindelijk aan de CA en, in het verlengde hiervan, de bestuursrechter toevertrouwd.13 Deze omwenteling is zeer opmerkelijk, daar in de parlementaire geschiedenis van de Whc was geopperd dat het open karakter van privaatrechtelijke normen het koppelen van de strafrechtelijke/punitieve sancties aan hun schending bemoeilijkt.14 Dat het in art. 7 EVRM neergelegde legaliteitsbeginsel zich zou verzetten tegen dergelijke sancties zolang de open normen geen nauwkeurige delictsomschrijving behelzen is een veelgehoord argument.15
Kennelijk heeft dit argument weinig om het lijf aangezien in alle drie de bestudeerde landen punitieve,16 en in Engeland en Frankrijk — in lijn met de bestaande praktijk — zelfs strafrechtelijke sancties (waaronder gevangenisstraffen) op de schending van de open normen zijn gesteld.17
In Frankrijk is kritiek geuit op deze keuze omdat zij ingaat tegen het door de regering gestarte proces van de `dépénalisation du droit des affaires'. Uit deze kritiek is een nietigheidssanctie voortgekomen (art. L.122-15 C.conso). Deze blijft beperkt tot de agressiesubnorm.
Tot slot leidt het ontbreken van (bepaalde) civielrechtelijke sancties (schadevergoeding, nietigheid, vernietigbaarheid) ertoe dat de civiele rechter de open richtlijnnormen in individuele zaken bij de toepassing van civielrechtelijke leerstukken betrekt die wel de mogelijkheid bieden om deze sancties op te leggen.
In Nederland zijn de richtlijnnormen bij de toepassing van de wilsgebreken betrokken teneinde aan de schending van deze normen in een individueel geval de vemietigingssanctie te verbinden.18 In het Franse recht dient de hoofdnorm ter concretisering van de onrechtmatige daad-nonn.19 Van oudsher worden in Frankrijk (net als in Nederland) normen van eerlijke handel afgeleid uit de onrechtmatige daad-norm. Verder werden normen van eerlijke handel zoals de algemene informatieplicht uit art. L.111-1 C.conso. voor de komst van de richtlijn al gekoppeld aan civielrechtelijke leerstukken.20