Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.2:3.4.2 Procedurele aspecten
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.2
3.4.2 Procedurele aspecten
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie op dit punt uitvoeriger § 8.5.2.
Brants & Spronken 2006, p. 24.
Zie op dit punt uitvoerig Garé 1997, p. 335-343.
Conclusie bij HR 4 juni 2000, NJ 2000, 581.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mede vanwege de grote afhankelijkheid van hun verklaringen voor het bewijs, rust op getuigen in de meeste landen de plicht om – indien zij worden gedagvaard – te verschijnen en een verklaring af te leggen. De getuige dient daarbij ‘de gehele waarheid en niets dan de waarheid’ te vertellen. Echter, waarheidsvinding kan bij getuigenverklaringen niet altijd onbelemmerd doorgang vinden. Bij een beroep op getuigen spelen (de in het eerste hoofdstuk genoemde) nietepistemologische waarden bij uitstek een rol. Een getuige heeft namelijk ook rechten. Zo komt een getuige onder bepaalde omstandigheden een verschoningsrecht toe en rust op de overheid, op grond van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer neergelegd in artikel 8 EVRM, de verplichting de strafprocedure zo in te richten dat getuigen voldoende bescherming genieten.1 Dit kan in bepaalde gevallen conflicteren met het belang van de waarheidsvinding, bijvoorbeeld wanneer een getuige met een beroep op het verschoningsrecht weigert te antwoorden op vragen van de rechter of de verdediging, of wanneer een getuige anoniem wordt gehoord. Het zijn niet alleen de rechten van de getuige die aan een onbelemmerde waarheidsvinding in de weg kunnen staan. Bij een beroep op het medisch verschoningsrecht zijn juist de privacy van de patiënt enerzijds en de toegankelijkheid van de zorg anderzijds de onderliggende niet-epistemologische waarden.2
Overigens hoeven maatregelen gericht op het beschermen van belangen van de getuigen niet altijd het proces van waarheidsvinding te frustreren. De relatie tussen de rechten van de getuige en het proces van waarheidsvinding is complexer dan dat. Regels die primair hun grondslag vinden in niet-epistemologische waarden, kunnen tegelijkertijd soms ook een waarborg voor de waarheidsvinding inhouden.3 Dit laat zich opnieuw illustreren aan de hand van het verschoningsrecht voor wat betreft de verklaringen van verwanten of van personen die zichzelf door het afleggen van een verklaring zouden kunnen incrimineren. Zo stelt Machielse dat ‘het verschoningrecht de strekking heeft te voorkomen dat een getuige zich geplaatst ziet voor het dilemma hetzij meineed te moeten plegen, hetzij het risico van strafrechtelijke vervolging te lopen’.4 Eenzelfde mechanisme geldt voor maatregelen ter bescherming van getuigen: enerzijds bemoeilijken zij de waardering van de verklaring (en daarmee het proces van waarheidsvinding), anderzijds vergroten zij de bereidheid van getuigen om een verklaring af te leggen, waar ze anders mogelijk gezwegen (of gelogen) zouden hebben.
Niettemin moet worden geconstateerd dat er in de procedurele context beperkingen zijn bij het vergaren en toetsen van kennis van getuigen ten behoeve van de bewijsbeslissing. De rechten van getuigen en anderen kunnen aan de waarheidsvinding in de weg staan: niet alleen omdat in bepaalde gevallen niet alle informatie de rechter zal bereiken en hij daarom geen compleet beeld van de voorbije werkelijkheid kan krijgen, maar ook omdat de informatie die hem wel bereikt niet altijd volledig op haar merites kan worden beoordeeld.