Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.1
3.4.1 Cognitieve aspecten
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Garé & Nijboer 1999, p. 882.
Bij deze problematiek zal in het vijfde en zesde hoofdstuk meer in detail worden stilgestaan.
Rassin 2005, p. 45-46.
Wolters 1991, p. 159-160.
Wessel & Wolters 2010, p. 458 en Rassin 2005, p. 46.
Horselenberg e.a. 2010, p. 489.
Wolters 2002, p. 399.
Horselenberg e.a. 2010, p. 491.
Rassin & Candel 2010, p. 521.
Factoren gelegen in de gevolgde procedure worden in de rechtspsychologische literatuur wel aangeduid als systeemvariabelen, factoren gelegen in de waarneming zelf en de omstandigheden waaronder is waargenomen worden aangeduid met de term schattingsvariabelen. Zie voor bespreking van dit onderscheid § 5.1.
Merckelbach e.a. 2003, p. 216; Wells, Memon & Penrod, p. 49 en Van Koppen 2007, p. 407.
Merckelbach e.a. 2003, p. 218. Zie ook Van Koppen 2007, p. 408. Coady trekt in zijn boek flink van leer tegen de stellige conclusies uit de rechtspsychologie. Volgens hem resulteren beweringen dat verklaringen onbetrouwbaar zijn, in een ingrijpende verwerping van verklaringen als vorm van bewijs (Coady 1995, p. 265).
Het eerste cluster van problemen is gelegen in de persoon van de getuige en de waarheidsgetrouwheid van diens verklaringen. In dit opzicht heeft zich in de laatste decennia een verschuiving voorgedaan: was men zich vroeger vooral bewust van het feit dat getuigen en verdachten konden liegen, tegenwoordig wordt meer aandacht besteed aan de cognitieve beperkingen die aan ons mens-zijn zijn verbonden. Inzicht in het ‘cognitief menselijk tekort’ heeft het geloof in de eigen waarneming en in die van anderen doen wankelen.1 Ook in het strafproces is gebleken dat de beweringen die getuigen geheel te goeder trouw doen, niet altijd een correcte weergave van de (historische) werkelijkheid hoeven te zijn. Dit heeft te maken met factoren gelegen in de waarneming en het geheugen, waarvan enkele aspecten hier kort de revue zullen passeren.2
Ten eerste kunnen er fouten optreden bij het waarnemen van de omstandigheid, gebeurtenis of gedraging waarover later wordt verklaard. Dit heeft niet alleen te maken met de omstandigheden waaronder wordt waargenomen, maar ook met het proces van waarnemen zelf. De menselijke waarneming is selectief en wordt gekleurd door de opvattingen en kennis van de persoon die waarneemt.3 Het behelst daarmee een actief proces van interpretatie in plaats van een proces van passieve registratie.4 De kwaliteit van de waarneming wordt voorts door allerlei factoren beïnvloed, zoals stress of angst.5 Ten tweede kunnen ook bij het herinneren van gebeurtenissen fouten optreden, bijvoorbeeld doordat de getuige kennisneemt van informatie uit een andere bron (bijvoorbeeld via de media) en deze informatie ten onrechte als zijn eigen herinnering gaat beschouwen. Uit onderzoek blijkt dat getuigen herinneringen kunnen vormen van gebeurtenissen die zich in werkelijkheid nooit hebben voorgedaan.6 Vervormingen in het geheugen kunnen ook het gevolg zijn van het onbewust opvullen van hiaten aan de hand van algemene kennis en logische redeneringen.7 Geheugenprocessen kunnen voorts worden verstoord door de wijze van verhoren. Informatie die ligt besloten in de vraagstelling kan vermengd raken met de herinnering aan de oorspronkelijke gebeurtenis.8 Bovendien zijn sommige getuigen onder omstandigheden geneigd om (al dan niet tegen beter weten in) met een suggestie van de verhoorder mee te gaan,9 wat het verhoren van getuigen tot een precaire aangelegenheid maakt. Al met al kunnen de nodige cognitieve gebreken kleven aan getuigenverklaringen, die zowel door interne als door externe factoren worden veroorzaakt.10
Het voorgaande roept een enigszins mistroostig beeld op van de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vanuit de rechtspsychologie veelvuldig is gewaarschuwd voor de ‘feilbare’ getuige, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op de beeldvorming onder juristen over de waarde van getuigenverklaringen voor het strafproces. Met name het vroege rechtspsychologische onderzoek ging nog gepaard met ferme uitspraken en grove generalisaties over de betrouwbaarheid van getuigen.11 Tegenwoordig valt – naar aangenomen kan worden mede onder invloed van de gedachtevorming in de epistemologie – een meer genuanceerde stellingname waar te nemen. Zo is volgens Merckelbach en collega’s het cliché van de feilbare getuige misplaatst. Zij menen dat getuigen in principe in staat zijn een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen, mits deze daartoe de kans krijgen. Het in te sterke bewoordingen de nadruk leggen op de feilbaarheid van getuigenverklaringen is in hun ogen ongelukkig, ‘omdat het psychologen en juristen blind maakt voor de funeste uitwerking die externe factoren op de betrouwbaarheid kunnen hebben, terwijl aan die externe factoren juist wél wat te doen valt’.12 Met externe factoren wordt in dit verband gedoeld op factoren die zijn gelegen in de gevolgde procedure en de feitelijke omstandigheden van het verhoor.