Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.4.6.3
2.4.6.3 Inhoudelijke moties
1
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649891:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Delen van deze paragraaf komen al dan niet letterlijk uit mijn annotatie bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, Ondernemingsrecht 2019/18, m.nt. E.J. Breukink (Boskalis/Fugro).
Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 261.
Mogelijk anders Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 262. T.a.p. schrijven zij dat “iedere vergadergerechtigde, of in ieder geval iedere ter vergadering aanwezige stemgerechtigde (...) de bevoegdheid toekomt om ter vergadering een motie in te dienen”.
Vgl. punt 4.59 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Zie bijv. Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 263 en de daar in voetnoot 17 genoemde bronnen.
Nowak in zijn noot bij Rb. ’s-Gravenhage (vzr.) 17 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3452, JOR 2015/135 m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro) en punt 4.74 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten(Boskalis/Fugro). Zie ook Garcia Nelen 2020, p. 300.
Zie Rb. Utrecht (pres.) 7 september 2000, KG 2000, 196(Postagenten), waarover Kollen 2000, p. 146.
In gelijke zin Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 162.
Zie verderop in deze paragraaf.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 72 met verdere verwijzingen. Anders meenden al Abma e.a. 2017, p. 94 volgens wie de voorzitter niet verplicht is een motie in stemming te brengen, en Den Boogert 1997, p. 218 en Dumoulin 2003, p. 55 volgens wie moties in beginsel überhaupt niet in de algemene vergadering thuishoren.
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 72; Assink 2018, p. 194, voetnoot 79; A-G Timmerman in punt 4.60 en 4.81 van zijn conclusie bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro); Overkleeft 2017a, p. 434-436. Zie ook Leijten in punt 16-17 van de hiervoor genoemde JOR-noot.
Punt 4.75 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652(Boskalis/ Fugro).
Punt 4.75 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652(Boskalis/Fugro).
Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 209, p. 317-318.
Punt 4.75 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Punt 4.60 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Vgl. Nowak in punt 9 van zijn noot onder Rechtbank ’s-Gravenhage 17 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3452, JOR 2015/135, m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro). Zie ook punt 4.76 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro). De A-G lijkt de mening te zijn toegedaan dat er sinds de invoering van art. 2:114a BW (en art. 2:224a BW) voor de inhoudelijke motie überhaupt geen bestaansrecht meer is.
Zie art. 2:132 en 2:134/2:242 en 2:244 BW.
In gelijke zin Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 162.
OK 29 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1965, JOR 2017/261, m.nt. Bulten (Elliott/AkzoNobel), r.o. 3.28.
Vgl. Asser/Rensen 2-III 2017, nr. 118.
Anders Garcia Nelen 2020, p. 301.
Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 262 en de daar genoemde bronnen.
Art. 2:114 lid 2/224 lid 2 BW.
Abma e.a. 2017, p. 94.
Een inhoudelijke motie is een ter vergadering ingediend verzoek tot peiling van de standpunten van ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde stemgerechtigden over een bepaald, inhoudelijk onderwerp. In de wet is over deze figuur niets bepaald en ook in de statuten en reglementen is meestal niets over (inhoudelijke) moties geregeld.2 Een inhoudelijke motie kan, net als een motie van orde, worden ingediend door ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde vergadergerechtigden,3 het bestuur, de rvc en individuele bestuurders en commissarissen. De voorzitter kan ook een inhoudelijke motie formuleren en deze in stemming brengen, maar zijn beperkte taakopdracht brengt mijns inziens met zich dat hij zich daarvan dient te onthouden.
Een vergadergerechtigde dient een inhoudelijke motie als volgt in: (i) hij neemt, met gebruikmaking van het recht ter vergadering het woord te mogen voeren (art. 2:117/227 lid 1 BW), een standpunt in; en (ii) verzoekt de voorzitter van de algemene vergadering om over dat standpunt in de algemene vergadering (een discussie gevolgd door) een stemming te laten plaatsvinden.4 Als de voorzitter het verzoek inwilligt, wordt de motie ‘in stemming gebracht’. Ook een inhoudelijke motie moet op een daarvoor geschikt moment worden ingediend. De opening van de vergadering is steeds een geschikt moment. Andere geschikte momenten zijn het moment waarop het onderwerp waar de motie op ziet aan de orde wordt gesteld of, als het gaat om een onderwerp dat niet op de agenda staat, de rondvraag.
Het ontbreken van een rondvraag staat er overigens niet aan in de weg dat aan het einde van de vergadering moties kunnen worden ingediend over met de vennootschap en haar onderneming verband houdende onderwerpen die niet op de agenda staan. Zie verder par. 2.2.1.4.
Voor zover in de literatuur wordt betoogd dat slechts moties kunnen worden ingediend die voldoende samenhang vertonen met het aan de orde zijnde agendapunt, of die betrekking hebben op het functioneren en het beleid van het bestuur of de rvc, ben ik het met deze opvatting niet eens.5 Dit zijn wel aspecten die de voorzitter dient mee te wegen bij de beoordeling of de motie in stemming wordt gebracht of niet.
Het gebruik van de inhoudelijke motie lijkt wellicht vooral zinvol voor onderwerpen die niet tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren,6 maar zij is daartoe niet beperkt. Zo kan bijvoorbeeld ook ten aanzien van de positie van een bestuurder een motie worden ingediend. Heeft een dergelijke motie de strekking dat wordt voorgesteld het vertrouwen in de bestuurder op te zeggen, dan vertoont deze grote gelijkenis met de staatsrechtelijke motie van wantrouwen.
Als ter vergadering een inhoudelijke motie wordt ingediend ten aanzien van een onderwerp dat tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoort, zal de voorzitter goed moeten nagaan of het daadwerkelijk om een motie gaat, of dat de indiener een voorstel tot besluitvorming doet. In het eerste geval levert een eventuele stemming namelijk een beslissing op, en in het tweede geval een (vernietigbaar) besluit. Als bijvoorbeeld een motie van wantrouwen wordt aangenomen, is dit niet meer dan een beslissing van de algemene vergadering die op zich geen rechtsgevolg heeft, maar moet worden begrepen als een uitnodiging aan een bestuurder zelf op te stappen. Zou het daarentegen om een ter vergadering ingediend voorstel tot ontslag gaan, dan ligt er na aanname een (vernietigbaar) ontslagbesluit.7 Verderop in deze paragraaf ga ik nader in op (het resultaat van) de stemming over een inhoudelijke motie.
Net als bij moties van orde dient de voorzitter aan de hand van eventuele wettelijke en statutaire voorschriften daarover en met inachtneming van art. 2:8 BW te bepalen of hij een inhoudelijke motie in stemming brengt. In het kader van de beoordeling op grond van art. 2:8 BW zijn naar mijn mening met name de volgende omstandigheden relevant: (i) of het onderwerp waar de motie op ziet, geagendeerd is, (ii) of het onderwerp waar de motie op ziet onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt, en (iii) bij wat voor ‘type’ vennootschap de motie wordt ingediend.
Zo brengt art. 2:8 BW naar mijn mening bijvoorbeeld met zich dat de voorzitter van de algemene vergadering van een beursvennootschap een motie over een niet-geagendeerd onderwerp niet in stemming hoeft te brengen.8 Bij niet-beursvennootschappen ligt dit mijns inziens wat genuanceerder.9 Voor wat betreft inhoudelijke moties die zien op een onderwerp dat tot de bestuursbevoegdheid behoort, zie ik na HR Boskalis/Fugro weinig ruimte voor het standpunt dat de voorzitter de motie in beginsel in stemming dient te brengen als deze voldoende samenhang vertoont met het aan de orde zijnde agendapunt. Tot aan HR Boskalis/Fugro was dit de heersende opvatting.10
Het bestuur is, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Evenmin is het bestuur verplicht de algemene vergadering in een dergelijk geval te consulteren.11 Deze regels richten zich tot het bestuur en verklaren waarom de Hoge Raad in Boskalis/Fugro oordeelt dat het bestuur niet ertoe verplicht kan worden een onderwerp dat een aangelegenheid is van het bestuur ter stemming op te nemen in de agenda. De vervolgvraag is of in dit oordeel ligt besloten dat de voorzitter van de algemene vergadering mag weigeren een motie in stemming te brengen wanneer het onderwerp waar de motie op ziet een bestuursaangelegenheid is. Anders gezegd: is op dit punt thans sprake van een geldende regel (waaraan weliswaar op grond van art. 2:8 lid 2 BW gederogeerd zou kunnen worden), of is het zo dat hier (nog) geen rechtsregel bestaat en de voorzitter terug moet vallen op art. 2:8 lid 1 BW? Welke van de twee benaderingen ook gekozen wordt, ik denk dat de uitkomst (veelal) dezelfde zal zijn. Namelijk dat de voorzitter mag weigeren de motie in stemming te brengen. Bij de eerste benadering is duidelijk waarom. De uit Boskalis/Fugro afgeleide regel is dan dat de voorzitter de motie, behoudens uitzonderlijke omstandigheden (art. 2:8 lid 2 BW), niet in stemming hoeft te brengen omdat de motie ziet op een onderwerp dat een bestuursaangelegenheid is. Het bestuur hoeft een dergelijk onderwerp niet ter stemming op te nemen in de agenda, en dus hoeft de voorzitter een stemming over de motie niet toe te staan. Wordt voor de tweede benadering gekozen dan is het vertrekpunt dat voor de voorzitter een regel over het in stemming brengen van moties ontbreekt. Binnen het kader van art. 2:8 lid 1 BW moet hij dan steeds een afweging maken of de motie in kwestie wel of niet in stemming wordt gebracht. Alle feiten en omstandigheden dienen bij het maken van de afweging in aanmerking te worden genomen. Aan de ene kant van de balans zal het gewicht (met name) bestaan uit de omstandigheid dat het bestuur ten aanzien van het onderwerp waar de motie op ziet geen consultatieplicht heeft, en hij als gevolg daarvan het onderwerp (wanneer daarom zou zijn verzocht) niet ter stemming in de agenda had hoeven opnemen. De voorzitter mag aan die omstandigheid een zodanig zwaar gewicht toekennen dat feitelijk de situatie ontstaat als ware het de geldende regel dat de voorzitter de motie niet in stemming hoeft te brengen. Hetgeen aan de andere kant van de balans in de schaal gelegd moet worden om de voorzitter ervan te overtuigen dat art. 2:8 lid 1 BW van hem eist dat hij de motie toch in stemming brengt, zal dan het karakter hebben van de uitzonderlijke omstandigheden waar art. 2:8 lid 2 BW op doelt. Kortom: naar mijn mening hoeft de voorzitter na Boskalis/Fugro een motie die ziet op een bestuursaangelegenheid in beginsel niet in stemming te brengen.12
Er bestaat minder duidelijkheid over hoe de voorzitter inhoudelijke moties moet beoordelen die zien op een onderwerp dat tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoort. Over het al dan niet in stemming brengen van dit type motie kan uit HR Boskalis/Fugro niets worden afgeleid. In zijn conclusie voor Boskalis/ Fugro gaat A-G Timmerman wel ook op deze inhoudelijke moties in. Timmerman wijst erop dat de motie in het vennootschapsrecht is geïntroduceerd in een tijd dat er geen wettelijk agenderingsrecht voor kapitaalverschaffers bestond.13 Van der Grinten vond in de motie een oplossing voor deze lacune, zo schrijft Timmerman.14 Zijn idee was dat aandeelhouders ter vergadering (tijdens de rondvraag) zouden kunnen voorstellen om in een volgende vergadering een bepaald onderwerp aan de orde te stellen. De algemene vergadering zou over dit voorstel moeten besluiten omdat, in het model van Van der Grinten, de individuele aandeelhouder de bevoegdheid toekomt om van de voorzitter te eisen dat zijn voorstel tot agendering in stemming wordt gebracht.15 Volgens Timmerman is de motie dus in de eerste plaats bedoeld (geweest) als een middel om agendering van een bepaald onderwerp op een volgende vergadering mogelijk te maken. Ik ben het met Timmerman eens dat na de invoering van het wettelijke agenderingsrecht aan dat middel geen behoefte meer bestaat.16 Zie ook par. 3.3.3.2 waarin ik schrijf dat de algemene vergadering geen rechtstreekse agenderingsbevoegdheid (meer) heeft, maar zij wel op de voet van art. 2:114a/224a BW ter vergadering bij besluit of beslissing een agenderingsverzoek kan indienen. Dat aan de afdwingbaarheid van een stemming over een voorstel om op de agenda voor een volgende vergadering een onderwerp te plaatsen thans geen behoefte meer bestaat, zegt evenwel nog niets over de (behoefte aan) afdwingbaarheid van een stemming over (andere) inhoudelijke moties die zien op een onderwerp dat onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt.
Het staat vast dat nergens in Boek 2 BW aan aandeelhouders een afzonderlijk recht is gegeven waarmee een peiling van standpunten van aandeelhouders ter vergadering kan worden afgedwongen.17 Dat geldt ook voor de peiling van standpunten over een onderwerp dat onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt. Hier staat tegenover dat als een onderwerp onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt, de algemene vergadering daarover besluiten kan nemen. Het kan worden betoogd dat als de algemene vergadering over een onderwerp besluiten kan nemen, de voorzitter eerder gehouden is om een ingediende motie in stemming te brengen dan wanneer de algemene vergadering ten aanzien van het onderwerp geen besluitvormingsbevoegdheid toekomt.18 Als algemeen uitgangspunt wil ik dit aannemen, maar ik merk daarbij meteen op dat naar mijn mening veel afhangt van de overige omstandigheden van het geval. Het gaat er dan met name over om wat voor type vennootschap het gaat en of het onderwerp waar de motie op ziet (als bespreekpunt) is geagendeerd.
Als voorbeeld neem ik de al eerder genoemde motie van wantrouwen. Deze motie ziet op een onderwerp ten aanzien waarvan de algemene vergadering besluitvormingsbevoegdheid heeft, te weten: de positie van de bestuurders.19 Ik schreef reeds dat als de positie of het functioneren van de bestuurder(s) niet als onderwerp op de agenda staat, de voorzitter van de algemene vergadering van een vennootschap met een notering een motie van wantrouwen niet in stemming hoeft te brengen.20 Maar stel nu dat een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer van een beursgenoteerde vennootschap verzoekt de positie van een bestuurder als bespreekpunt te agenderen. Kan hij dan wel met recht verlangen dat de voorzitter ter vergadering een door hem ingediende motie van wantrouwen in stemming brengt? Naar mijn mening is dat niet het geval. In reactie op een verzoek tot agendering van een voorstel tot ontslag van een bestuurder kan de vennootschap op grond van art. 2:114b lid 2 BW immers een bedenktijd inroepen waardoor de bevoegdheid bestuurders te ontslaan wordt opgeschort (art. 2:114b lid 6 BW). Dit moet mijns inziens zo worden begrepen dat gedurende de bedenktijd ook een informele stemming over het ontslag van een bestuurder niet mogelijk is, zie par. 6.3.3.2. Tijdens de bedenktijd kan over het onderwerp enkel worden gediscussieerd. Het zou vreemd zijn als een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer art. 2:114b BW kan omzeilen door de positie van de bestuurder(s) als bespreekpunt te laten agenderen om vervolgens met recht te kunnen verlangen dat ter vergadering een motie van wantrouwen in stemming wordt gebracht. Hier komt nog bij dat, onder verwijzing naar de beschikking van de OK inzake Elliott/AkzoNobel, een verzoek om een motie van wantrouwen in stemming te brengen al snel zal worden bestempeld als een poging om invloed uit te oefenen op de strategie van de vennootschap.21 Ook om die reden zal de voorzitter van de algemene vergadering van een beursvennootschap de stemming over de motie kunnen afwijzen. Bij niet-genoteerde, kleine vennootschappen met slechts enkele aandeelhouders kan het anders liggen. Het laat zich voorstellen dat de onderlinge verhoudingen bij dit type vennootschap kunnen maken dat, ook als het functioneren van de bestuurder(s) niet geagendeerd staat, de voorzitter op grond van art. 2:8 BW gehouden is een motie van wantrouwen in stemming te brengen.22 Het staat vervolgens ter beoordeling van de betreffende bestuurder(s) dan wel het bestuur wat met de uitkomst van de stemming te doen.
Een stemming over een inhoudelijke motie die ziet op een onderwerp dat tot de bestuursbevoegdheid behoort, resulteert in een beslissing. Het bestuur is juridisch op geen enkele wijze aan de uitkomst van de stemming gebonden. Een stemming over een inhoudelijke motie die ziet op een onderwerp dat tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoort, resulteert eveneens in een beslissing.23 Zo is de motie immers bedoeld. Van een aanwijzing als bedoeld in art. 2:129 lid 4/239 lid 4 BW is in beginsel geen sprake.24 Als gezegd, dient de voorzitter bij de motie die ziet op een onderwerp dat onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt wel steeds goed na te gaan of datgene wat wordt ingediend ook daadwerkelijk een motie is, of dat het gaat om een voorstel tot het nemen van een besluit. Is het laatste het geval dan levert de stemming een al dan niet vernietigbaar besluit op.25
Ten overvloede merk ik nog op dat, ook als de stemming niet tot een besluit, maar tot een beslissing leidt, enkel stemgerechtigden mogen stemmen. Vergadergerechtigden zonder stemrecht kunnen niet stemmen. Of de stemming formeel of informeel is, doet daarbij niet ter zake.
Een voorbeeld van een inhoudelijke motie is de motie die een aantal grootaandeelhouders van BESI indienden tijdens de algemene vergadering van 3 april 2008. In de motie werd het bestuur verzocht een onderzoek in te stellen naar een strategiewijziging. De voorzitter bracht de motie in stemming en deze werd unaniem aangenomen.26