Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.4.7
1.4.7 Verjaring van bestanddelen
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644962:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 41, 3, 23 pr. (Javolenus): “Eum, qui aedes mercatus est, non puto aliud quam ipsas aedes possidere: nam si singulas res possidere intellegetur, ipsas non possidebit: separatis enim corporibus, ex quibus aedes constant, universitas aedium intellegi non poterit. Accedit eo, quod, si quis singulas res possidere dixerit, necesse erit dicat possessione superficiei tempori de mobilibus statuto locum esse, solum se capturum esse ampliori: quod absurdum et minime iuri civili conveniens est, ut una res diversis temporibus capiatur, ut puta cum aedes ex duabus rebus constant, ex solo et superficie, et universitas earum possessionem temporis immobilium rerum omnium mutet.” “Degene die een huis heeft gekocht, bezit naar mijn mening niets anders dan het huis zelf. Zou hij namelijk geacht worden bezitter te zijn van de afzonderlijke bestanddelen [waarvan het huis is gemaakt], dan zou hij het [huis] zelf niet bezitten; wanneer immers de onderdelen waaruit het huis bestaat, van elkaar gescheiden zijn, zal men daaronder niet het huis als geheel kunnen verstaan. Daar komt nog bij dat, als iemand zich op het standpunt zou stellen dat hij het bezit heeft van de afzonderlijke zaken, hij genoodzaakt zal zijn te zeggen dat voor het bezit van de opstal de voor roerende zaken wettelijk vastgestelde verjaringstermijn geldt en dat hij de grond na verloop van de langere termijn zal verkrijgen. Het is echter ongerijmd en allerminst in overstemming met het ius civile dat een en dezelfde zaak door het verloop van verschillende termijnen [door verjaring] wordt verkregen. Het verdient dus de voorkeur te zeggen dat, gegeven het feit dat een huis uit twee componenten bestaat, uit de grond en uit de opstal, het geheel daarvan door het bezit gedurende de voor onroerende goederen geldende termijn van eigenaar wisselt.”
D. 41, 3, 23, 2 (Javolenus): “Si autem demolita domus est, ex integro res mobiles possidendae sunt, ut tempore, quod in usucapione rerum mobilium constitutum est, usucapiantur. Et non potes recte uti eo tempore, quo in aedificio fuerunt: nam quemadmodum eas solas et separatas ab aedificio non possedisti, sic nec penes te singulae aut separatae fuerunt et cohaerentibus his in aedificio, depositis aedibus, quae hoc quoque ipsum continent. Neque enim recipi potest, ut eadem res et ut res soli et tamquam mobilis sit possessa.” “Als het huis wordt afgebroken, moeten de roerende zaken echter opnieuw bezeten worden, als men wil dat deze verkregen worden door het verloop van de termijn die voor de verkrijging van roerende zaken wettelijk is vastgelegd. De tijd gedurende welke zij een onderdeel van het gebouw waren kunt u dan niet met recht gebruiken; want u hebt ze niet eerder op zichzelf en van het gebouw gescheiden bezeten dan dat het gebouw dat die zaken omvatte was neergehaald, net zomin als ze bij u apart en gescheiden aanwezig waren toen zij nog één geheel met het gebouw vormden. Het is immers onaanvaardbaar dat een en dezelfde zaak tegelijk als onroerende en als roerende zaak wordt bezeten.”
D. 41, 3, 30, 1 (Pomponius): “Labeo libris epistularum ait, si is, cui ad tegularum vel columnarum usucapionem decem dies superessent, in aedificium eas coniecisset, nihilo minus eum usucapturum, si aedificium possedisset. Quid ergo in his, quae non quidem implicantur rebus soli, sed mobilia permanent, ut in anulo gemma? In quo verum est et aurum et gemmam possideri et usucapi, cum utrumque maneat integrum.”
Althans wanneer er geen sprake was van zaaksvorming, zoals in D. 10, 4, 6: “Gemma inclusa auro alieno vel sigillum candelabro vindicari non potest” “Een in andermans goud gezette edelsteen of in een kandelaar aangebrachte medaillon kan niet als eigendom worden gevorderd.”
Zie ook: Von Jhering (1924), p. 38, voetnoot 22.
Van Hoof (2015), p. 59-61.
Ook in het kader van de verkrijgende verjaring maakten de Romeinen een onderscheid tussen de eenheidszaak en de bestanddelen waaruit deze eenheidszaak bestond. Zo verkreeg een koper van een huis het bezit van de eenheidszaak, het huis. Hij verkreeg echter niet het bezit van de bestanddelen waaruit het huis bestond. Als de koper het huis had gekocht van een beschikkingsonbevoegde, dan kon deze koper onder bepaalde voorwaarden door verjaring het eigendomsrecht van het gehele huis verkrijgen. Hij moest gedurende de verjaringstermijn die was gesteld voor onroerende zaken, het bezit van het huis behouden.1 Als het huis werd afgebroken en de bestanddelen van het huis weer individuele roerende zaken werden, moesten zij opnieuw in bezit genomen worden, als hij ze door verjaring wilde verkrijgen. Ditmaal moest voor de eigendomsverkrijging van deze zaken de verjaringstermijn doorlopen worden die gesteld was voor roerende zaken. Deze termijn begon dan te lopen vanaf het ogenblik dat de bestanddelen waren losgemaakt en in bezit genomen.2 Uit dit voorbeeld komt duidelijk de continuïteitsgedachte naar voren. Zakelijke rechten gingen niet snel teniet. Was een eenheid (huis) via verjaring verkregen, dan eindigde daarmee het oorspronkelijke eigendomsrecht op deze eenheid. De eigendom van de afzonderlijke materialen werden door de verjaring niet verkregen. Werden deze door afscheiding individuele zaken, dan moest opnieuw een verjaringstermijn worden doorlopen. Pas na het doorlopen van die termijn hielden de oorspronkelijke zakelijke rechten definitief op te bestaan.
De continuïteitsgedachte was ook zichtbaar als roerende zaken met elkaar verbonden waren. Zo zagen Pomponius en Labeo de ring en de edelsteen als twee zelfstandige zaken, welke men dus afzonderlijk via verjaring kon verkrijgen.
“Labeo zegt in de boeken van zijn Brieven dat iemand aan wie nog tien dagen voor de verkrijging door verjaring van zuilen of dakpannen resteren, deze, als hij ze in een gebouw heeft geïncorporeerd, niettemin door verjaring zal verkrijgen indien hij bezitter is van het gebouw. Hoe zit het dan met zaken die niet in een onroerend goed verwerkt worden, maar onderdeel van roerende zaken blijven, zoals een edelsteen in een ring? Ten aanzien daarvan is het juist dat zowel het goud als de edelsteen [ieder op zichzelf] bezeten en door verjaring verkregen kunnen worden, omdat ieder van beide een zelfstandige entiteit vormt.”3
Volgens deze tekst kon de bezitter van de gouden ring en de edelsteen door verjaring eigenaar worden van beide zaken. Stel dat deze twee zaken werden samengevoegd tot één zaak, een ring met edelsteen, dan gold voor de eigendomsverkrijging niet een verjaringstermijn voor de eenheidszaak, maar moest voor zowel de gouden ring als voor de edelsteen apart de verjaringstermijn worden doorlopen. Als de bezitter de gouden ring een maand eerder in bezit had gekregen dan de edelsteen, dan verkreeg hij door verjaring de eigendom van de ring ook een maand eerder dan die van de edelsteen. Dat de twee zaken werden samengevoegd tot één zaak, deed niet ter zake. Dat de bezitter alleen beide zaken individueel door verjaring kon verkrijgen, betekende echter niet dat hij de zaken individueel moest opeisen als hij de zaak had verloren. Hij kon de gehele eenheidszaak, dat wil zeggen de ring met edelsteen, met één actie opeisen, bijvoorbeeld met de actio Publiciana als hij verjaringsbezitter was. Daarnaast was de edelsteen door het goud nagetrokken,4 waardoor naast de bezitter ook de eigenaar van de gouden ring de verbonden zaken, dus ring en edelsteen, met één revindicatie kon opeisen. De vergelijking met het corpus ex distantibus, dat reeds in de eerste paragraaf is behandeld, ligt voor de hand: aan de ene kant een eenheid die de verschillende zaken vormden, bijvoorbeeld een kudde, aan de andere kant de individuele zaken uit die eenheid, bijvoorbeeld de schapen uit de kudde.5 Een schaap uit een kudde die aan een andere eigenaar toebehoorde kon door twee verschillende personen met een revindicatie worden opgeëist. Allereerst door de eigenaar van de kudde, waarvan het schaap deel uitmaakte.6 Deze eiste de kudde in zijn geheel op, inclusief het schaap. Daarnaast kon de eigenaar van het schaap de revindicatie instellen om het bezit van dat ene schaap op te eisen. Bij samengestelde zaken was het mogelijk, dat iemand gerechtigd was om de samengestelde zaak op te eisen, ofschoon de bestanddelen van die zaak toebehoorden aan andere personen.
De samengestelde zaak of eenheid, dus de kudde, de bokaal met handvat of de ring en de edelsteen, kon door de eigenaar met één revindicatie worden opgeëist. Het verschil tussen een samengestelde eenheidszaak en een corpus ex distantibus was echter, dat de onderdelen van de laatstgenoemde categorie direct individueel konden worden opgeëist. Deze onderdelen bleven immers individuele zaken. Een kudde schapen vormde een eenheid, maar de schapen uit die kudde behielden hun zelfstandigheid. Een bestanddeel van een samengestelde zaak kon echter niet dadelijk afzonderlijk worden opgeëist zolang de verbinding nog bestond. Als een zaak van iemand door verbinding een bestanddeel was geworden van een andere zaak, dan kon dat zakelijk recht pas herleven als het bestanddeel was losgemaakt van de hoofdzaak.
Tussenconclusie
Een verbinding van zaken die aan verschillende eigenaren toebehoorden, kon al dan niet rechtsgevolgen teweegbrengen. In bepaalde gevallen had de verbinding van zaken geen enkel effect, omdat de zaken ook na de verbinding geen eenheid vormden. Als de verbinding er echter voor zorgde dat de zaken tezamen een eenheidszaak vormden, dan waren verschillende rechtsgevolgen denkbaar.
Allereerst konden zaken zo met elkaar verbonden zijn, dat wel een eenheidszaak was ontstaan, maar na de verbinding geen hoofdzaak was aan te wijzen. Dan kregen de eigenaren van deze zaken een onverdeeld aandeel in het eigendomsrecht van de eenheidszaak. Met andere woorden, er ontstond mede-eigendom. Het aandeel in het eigendomsrecht was afhankelijk van de waarde van de ingebrachte zaak in de eenheidszaak. De oorspronkelijke eigendomsrechten transformeerden in één recht van mede-eigendom. Zo bezien was geen sprake van een formele continuïteit van de eigendomsrechten, maar van een materiële continuïteit. Het zakelijke karakter bleef behouden. Aan de mede-eigendom kon een einde worden gemaakt door de delingsactie communi dividundo. De eigenaar van het toegewezen deel verkreeg een eigendomsrecht dat aan dezelfde kenmerken voldeed als die van het mede-eigendomsrecht. Met name de zakelijke rechten bleven op de zaak rusten. Zoals voor de ene mede-eigenaar een zakelijk recht ontstond, zo ging voor de andere mede-eigenaar een zakelijk recht teniet.
Daarnaast kon een zaak opgaan in een andere zaak (accessio). Als hiervan sprake was, dan waren twee situaties van elkaar te onderscheiden, afhankelijk van de wijze waarop de zaken met elkaar verbonden waren. In het eerste geval was er sprake van een “samensmelting” van zaken. De ene zaak is bestanddeel geworden van een andere zaak (de hoofdzaak) doordat zij door een vaste verbinding in laatstgenoemde zaak was opgegaan. In dat geval gingen de zakelijke rechten die vóór de verbinding op dat bestanddeel rustten definitief teniet. De oude toestand kon niet meer door een afscheiding worden hersteld. Als beide zaken vóór de verbinding toebehoorden aan verschillende eigenaren, dan verloor de eigenaar van de zaak die bestanddeel werd door de verbinding definitief zijn eigendomsrecht. De eigenaar van de hoofdzaak was eigenaar van de eenheidszaak en derhalve ook van het bestanddeel. Als het bestanddeel later werd afgescheiden van de hoofdzaak, bleef de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar van het afgescheiden bestanddeel.
In het tweede geval was eveneens sprake van natrekking, maar de verbinding had geen “samensmelting” tot gevolg en was nog terug te draaien, zonder dat de zaken door de afscheiding in hun aard veranderden. Zolang de verbinding voortduurde, kon de eigenaar van de hoofdzaak de eenheidszaak met de revindicatie opeisen en dus ook het bestanddeel. Het eigendomsrecht dat vóór de verbinding op het bestanddeel rustte, ging echter door de verbinding niet teniet, maar was een dominium dormiens: een “slapend” eigendomsrecht. Dit slapende of rustende eigendomsrecht was niet te gebruiken zolang de verbinding duurde, met andere woorden: de eigenaar kon geen revindicatie instellen tegen de eigenaar van de hoofdzaak, zolang zijn zaak een bestanddeel was. Om van een bestanddeel een zelfstandige zaak te maken, was afscheiding van de eenheidszaak nodig. De oorzaak van een afscheiding van een bestanddeel van een zaak kon verschillen. Een afscheiding kon toevallig ontstaan. Een storm kon bijvoorbeeld een huis omverblazen, waardoor de dakpannen en de stenen werden losgemaakt van het huis. Ook kon iemand uit eigen beweging een bestanddeel hebben losgemaakt of de afscheiding in rechte afdwingen met een actie. Een actie waarmee afscheiding kon worden gevorderd, was de actio ad exhibendum, de actie tot productie.