Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.1.3:1.1.3 Paraplubegrip vormfout/vormverzuim
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.1.3
1.1.3 Paraplubegrip vormfout/vormverzuim
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613028:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Baaijens-van Geloven 2004, p. 344. Net als daar wordt hier geen onderscheid gemaakt tussen de begrippen onregelmatig en onrechtmatig.
De HR spreekt ook wel van ‘onregelmatigheden’. Zie bijv. HR 6 april 1999, ECLI:NL: HR:1999:ZD1473, NJ 1999/565 m.nt. Schalken, rov. 3.5.6. Ook daarbij kan het gaan om schendingen van fundamentele rechten.
Dit privilege against self-incrimination is neergelegd in het Vijfde Amendement. Zie Kuiper 2010, p. 44-45 en 253.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geschreven en ongeschreven vormvoorschriften bestrijken alle fasen van het strafproces. Deze regels van strafprocesrecht normeren het optreden van politie en OM, maar ook bijvoorbeeld het optreden van de RC en de zittingsrechter. Als geheel beogen deze regels een effectieve waarheidsvinding en berechting mogelijk te maken, op zo’n manier dat niet lichtvaardig inbreuk wordt gemaakt op individuele rechten van verdachten en andere burgers en dat de belangen van alle bij het strafproces betrokken partijen, onder wie in het bijzonder ook het slachtoffer, in acht worden genomen.
Vormvoorschriften lopen naar de aard van de geregelde materie en de daarbij betrokken belangen sterk uiteen. Toch kan elk voorschrift betreffende het strafrechtelijk onderzoek als een vormvoorschrift worden aangemerkt1 en elke schending daarvan als een vormfout of vormverzuim.2 Een vormfout of vormverzuim – inwisselbare begrippen die duiden op de schending van een geschreven of ongeschreven regel van strafprocesrecht – kan daarom zien op een fundamentele regel die direct raakt aan de kern van een eerlijk strafproces of aan het wezen van wat in een rechtsstaat als behoorlijk overheidsoptreden geldt. Ook kan het gaan om voorschriften die tot zulke zwaarwichtige belangen in een ver verwijderd verband staan. Om een extreem voorbeeld te geven: het martelen van een verdachte om hem een verklaring te laten afleggen en de onrechtmatige doorzoeking van een dashboardkastje leveren beide een vormfout op, zoals hierboven gedefinieerd. Tegelijk is volstrekt helder dat het om heel verschillende dingen gaat en dat aan de reactie van de strafrechter heel andere eisen worden gesteld. Het maakt nogal verschil of een regel is geschonden die de lichamelijke integriteit beschermt en die cruciaal is voor een deugdelijke waarheidsvinding of een regel die enkel beschermt tegen te lichtvaardige inbreuken op de privacy die iemand bijvoorbeeld ten aanzien van de inhoud van zijn dashboardkastje moet kunnen koesteren. Evident is dat deze verschillen ook van invloed zijn op de (ruimte voor) belangenafweging bij het bepalen van het rechtsgevolg van een vormfout.
Niet alleen kunnen vormfouten verschillen op het punt van het door de geschonden rechtsregels beschermde belang, ook kan de schending van regels die strekken tot bescherming van een en hetzelfde belang, in aard en ernst sterk uiteenlopen. Het Amerikaanse Hooggerechtshof onderscheidt in dit verband wel zogenaamde ‘prophylactic rules’, preventieve regels die ertoe strekken inbreuken op een onderliggend grondwettelijk recht te voorkomen, van regels waarvan schending direct inbreuk maakt op een grondwettelijk recht. Zo hoeft bijvoorbeeld schending van de prophylactic rule dat de gehechte verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor op zijn recht op rechtsbijstand moet worden gewezen niet steeds te betekenen dat inbreuk is gemaakt op het onderliggende grondwettelijk recht dat de verdachte niet gedwongen mag worden tot het afleggen van een hemzelf belastende verklaring.3
Een vormfout kan niet alleen ernstiger zijn naarmate de schending van de regel het beschermde belang directer in gevaar brengt, maar ook – vooral vanuit rechtsstatelijk perspectief – naarmate de schuld van de betrokkene(n) aan het onrechtmatig optreden groter is. Denk bijvoorbeeld aan het binnentreden ter doorzoeking van een woning zonder de daartoe vereiste machtiging van de RC. Dat kan welbewust en met opzet gebeuren, maar ook per ongeluk, bijvoorbeeld omdat voor de opsporingsambtenaren niet duidelijk was dat de door hen betreden ruimte een woning was. Ook kan zij plaatsvinden op basis van een mondelinge machtiging die niet of te laat op schrift wordt gesteld, of met een machtiging terwijl de zittingsrechter achteraf de daaraan ten grondslag liggende verdenking onvoldoende oordeelt.
De ene regel is kortom de andere niet en datzelfde geldt voor het onderscheid dat tussen verschillende regelschendingen kan worden gemaakt. De begrippen vormfout en vormverzuim zijn dus echte paraplubegrippen.