Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.3.4:5.3.4 Conclusie
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.3.4
5.3.4 Conclusie
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973628:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de bevindingen uit hoofdstuk 3 was dat over de band van een geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn, door middel van het aannemen van een onderzoeksplicht, soms klachtplichtberoepen worden gehonoreerd waardoor het verjaringsrecht niet meer aan bod kan komen. Dat doet de vraag rijzen of in dergelijke gevallen niet te lichtvaardig wordt omgesprongen met het aannemen van een onderzoeksplicht bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Die vraag staat in deze paragraaf centraal.
Ik constateerde dat de Hoge Raad met betrekking tot de onderzoeksplicht bij de wettelijke klachtplichten een goed hanteerbaar toetsingskader geeft waarmee in alle gevallen redelijke uitkomsten kunnen worden bereikt. In het kader van de klachtplicht komt het redelijk voor om de onderzoeksplicht, anders dan bij verjaring, in beginsel gewicht te geven voor de vraag of een klachttermijn is gaan lopen. Waar een schuldenaar onzeker kan zijn over de vraag of zijn prestatie voldoet aan de overeenkomst, is het billijk om van de schuldeiser te verlangen dat hij die prestatie op deugdelijkheid onderzoekt. Volgens de Hoge Raad ligt dat, terecht, anders wanneer relevante informatie voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de prestatie nog in het domein van de schuldenaar ligt, of wanneer bepaalde kennis met betrekking tot de specifieke aard en inhoud van de prestatie is vereist die de schuldeiser niet bezit en de schuldenaar juist wel. Als de schuldenaar in die onderlinge verhoudingen dan ook nog eens geruststellende mededelingen aan de schuldeiser doet over de conformiteit van zijn prestatie, verdwijnt een onderzoeksplicht aan de kant van de schuldeiser nog sneller uit beeld. De indruk die die rechtspraak wekt is, in lijn daarmee, niet dat rechters te gemakkelijk tot de conclusie komen dat de schuldeiser het gebrek eerder had behoren te ontdekken.
In par. 5.3.2 kwam aan de orde dat de Hoge Raad in zijn rechtspraak vooral sleutelt aan de klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW om tot redelijker uitkomsten te kunnen komen. Wat valt van die aanpak in het licht van de voorgaande hoofdstukken te zeggen? Ik stelde voorop dat de benadering van de Hoge Raad effectief is. In de bepaling van de redelijkheid van de klachttermijn kunnen onbillijke uitkomsten worden weggefilterd. De rechter kan er alle kanten mee op, temeer omdat de Hoge Raad de bepaling van de lengte van de termijn in feite tot een soort belangenafweging maakt. De benadering van de Hoge Raad, met het zware accent op de lengte van de klachttermijn, loopt enigszins uit de pas met dit Obliegenheit-karakter van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Door in feite alle problemen van de klachtplichten op te lossen in de bepaling van de klachttermijn suggereert de Hoge Raad namelijk dat het tijdsverloop na het aanvangsmoment van de onderzoeks- en/of klachtplicht een centrale plaats inneemt. Logischerwijs is die benadering ook in rechtspraak in feitelijke instanties na Van de Steeg/Rabobank terug te zien. We moeten oppassen dat de redelijkheid van de klachttermijn niet te veel gezocht wordt in ‘normale’ schuldenaarsnadelen die het tikken van de klok automatisch met zich brengen. De rechtspraaklijn van de Hoge Raad, met het zware accent op de lengte van de klachttermijn, zou anders kunnen suggereren. Tegelijk geeft de Hoge Raad met name in Van de Steeg/Rabobank zo’n rijk beoordelingskader, dat hij dit karakter van de klachtplicht ook weer niet al te veel geweld aandoet.
In par. 5.3.3 stond het belang van de nadeelfactor bij de bepaling van de klachttermijn centraal. Als we de maximes van de Hoge Raad met betrekking tot het belang schuldenaarsnadeel bij de bepaling van de klachttermijn droog achter elkaar opsommen, wordt duidelijk dat schuldenaarsnadeel een grote rol, zo niet zelfs een hoofdrol is toebedeeld bij de bepaling van de redelijkheid van de in acht genomen klachttermijn. Daarmee is duidelijk dat de nadeelfactor in het kader van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW een andere rol heeft dan in het kader van rechtsverwerking. Dat verschil is te verklaren. Schending van de klachtplicht betekent dat de schuldeiser heeft gezwegen waar hij had moeten spreken. Het is niet vereist dat de schuldeiser het gerechtvaardigd vertrouwen bij de schuldenaar opwekt dat hij zijn vordering zal laten liggen. Nu de rechtsverwerkingsgrond op basis van gerechtvaardigd vertrouwen in het domein van de klachtplichten geen rol speelt, moeten de klachtplichten worden gezien als vorm van rechtsverwerking waarbij onredelijke schuldenaarsbenadeling als gevolg van het handelen van de schuldeiser het hem belet om zijn vordering nog geldend te maken. Verder werd geconstateerd dat in de lagere rechtspraak nog steeds gevallen zijn aan te wijzen waarin een klachtplichtberoep wordt aangenomen zonder dat expliciet aandacht wordt besteed aan de vraag of sprake is van nadeel aan schuldenaarszijde. Dat is onwenselijk. In een aantal van de door mij gesignaleerde gevallen lijkt dergelijk nadeel wel voor de hand te liggen, maar dat is niet steeds het geval.