Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.4
4.4 Dwangsom bij de niet-hoogstpersoonlijke verbintenis
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS375106:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 896.
Vgl. Verkade 1984, p. 570, noot 37; De Vries 1997a, p. 23-24; en Van Nispen 2003, nr. 12. In 1900 besliste de Cour de cassation anders toen het in de Lady Eden zaak een tegen een portretschilder ingestelde vordering tot nakoming afwees die was gericht op de afgifte van portret dat weliswaar was voltooid, maar die de schilder een ander hoofd had gegeven dan dat van de opdrachtgeefster, zie Civ. 14 maart 1900, S. 1900.1.489 geciteerd in Beale e.a. 2002, p. 699. De Engelse rechter veroordeelde een schuldenaar wel tot afgifte van reeds geproduceerde muziek in Barrow v Chappel & Co. Ltd (1) (1951), 62 aangehaald in Joseph v National Magazine Co. Ltd [1958] 3 All ER Ch.D. 52, op p. 54.
Zie par. 4.3.4.
Ondanks de terughoudendheid die in Engeland bestaat bij een veroordeling tot nakoming van (hoogst)persoonlijke verbintenissen, heeft de schuldeiser bij persoonlijk te verrichten verbintenissen die voortvloeien uit bouwcontracten en reparatieverplichtingen uit huurovereenkomsten doorgaans wel een recht op nakoming. Over bouwcontracten, zie Jones & Goodhart 1996, p. 185 e.v; en Treitel 2004a, nr. 27-027/27-028, p. 15381539. Over reparatieverplichting uit de huurovereenkomst, zie Lawrence Collins in Rainbow Estates Ltd v Tokenhold Ltd and another [1989] 2 All ER Ch.D. 860, op p. 868, en S. 17 van de Landlord and Tenant Act 1985.
Zie par. 4.5.
Zie par. 4.3.4.
Zo ook Van Opstall 1976, p. 40-41.
Debily 2002, nr. 434-439, p. 446-452.
Bruxelles (réf.), 1.3.2001, JT., 2001, p. 250 geciteerd door Wéry 2008, p. 35. Anders dan de verplichting die Michael Schumacher op zich had genomen, is een verbintenis voor een professionele voetballer om voor zijn club te voetballen hoogstpersoonlijk vanwege het grote beslag dat de verbintenis legt op de fysieke vrijheid van de speler. De rechter of arbiter kan de voetballer m.i. wel tot nakoming veroordelen. De arbitragecommissie van de KNVB houdt spelers doorgaans ook aan hun contract, zie Van den Hout 2008, p. 6. De rechter kan de veroordeling m.i. geen kracht bijzetten met een dwangsom. Een club heeft echter wel andere middelen om een voetballer tot voetballen te prikkelen op hoog niveau te spelen, bijv. door (te dreigen) hem niet meer te laten trainen met de A-selectie waardoor zijn marktwaarde daalt, zie Bunger & Verhulp 2004, p. 9.
Lonis-Apokourastos 2003, p. 58; Debily 2002, nr. 435, p. 447.
Onder omstandigheden kan een Franse werknemer zijn werkgever op straffe van een `indemnité' dwingen zijn arbeidsverplichtingen weer te laten verrichten na een onregelmatig ontslag (art. L.122-14-4 Code du travail). Zie over deze discussie met veel rechtspraakverwijzingen Lonis-Apokourastos 2003, p. 51 e.v.; en Radé & Tournaux 2005, p. 197-210.
Neufang signaleert dat vanwege de subsidiariteit van de dwangsom — alleen als het inschakelen van een derde niet mogelijk is (§ 888 Abs. 1 ZPO) — de rechter in Duitsland in feite terughoudender is met het afdwingen van nakoming dan zijn Engelse collega, zie Neufang 1998, p. 283-284.
Zie ook par. 4.2.
Vgl. Blaauw 1980, p. 6, die eveneens van mening is dat de rechter een dwangsombepaling achterwege moet laten bij strijd met 'ruim te interpreteren' grondrechten van de schuldenaar. Zie ook Drion (1962) 1982, p. 104105.
Vgl. Beekhoven van den Boezem 2007, p. 97.
In Nederland art. 7:659 lid 2 BW; in Engeland sec. 236 Trade Union and Labour Relations (Consolidation) Act 1992; in Duitsland § 888 Abs. 3 ZPO; in Frankrijk L.122.14.4 Code du travail.
Vgl. Beekhoven van den Boezem 2007, p. 100.
In par. 4.3 heb ik stilgestaan bij de verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening. De 'gewone' (niet-hoogstpersoonlijke) verbintenis tot persoonlijke dienstverlening is minder verknocht aan de persoon van de schuldenaar, maar ook bij deze verbintenis dient de schuldenaar zelf en niet een derde de prestatie uit te voeren. Kenmerkend voorbeeld van een hoogstpersoonlijke verbintenis is de verplichting die een auteur jegens zijn uitgever op zich heeft genomen om een bepaald werk te schrijven.1 Indien de auteur het toegezegde werk reeds heeft vervaardigd, is de aanspraak van de uitgever op afgifte van de gereedgekomen kopij een 'gewone' persoonlijke verbintenis.2 Van persoonlijke verbintenissen die geen hoogstpersoonlijk karakter hebben, is ook sprake indien een schuldeiser met een partij heeft gecontracteerd vanwege zijn grote vakmanschap. Een gerenommeerd financieel planner, timmerman of arts met wie de wederpartij heeft gecontracteerd vanwege zijn capaciteiten, dient de verbintenis in beginsel persoonlijk, of in ieder geval onder zijn regie uit te voeren. Als voor een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening een veroordeling tot nakoming in beginsel al mogelijk moet zijn,3 dan geldt dit a fortiori voor de niet-hoogstpersoonlijke verbintenis tot persoonlijke dienstverlening.4 Hierna bespreek ik dat de schuldenaar zich wel tegen een vordering tot nakoming van een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening moet kunnen verweren als nakoming voor hem onevenredig nadelig is geworden.5
In de voorgaande paragraaf is besproken dat de veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening zich oplost in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar nalaat de veroordeling uit te voeren. Kan een veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot niet-hoogstpersoonlijke, dienstverlening wél op straffe van een dwangsom ten uitvoer worden gelegd?
Wat de verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening onderscheidt van de verbintenis tot persoonlijke dienstverlening is het type inspanning dat de schuldenaar moet verrichten om zich van de verbintenis te bevrijden. Verbintenissen met een wetenschappelijk, cultureel of religieus karakter, dan wel verbintenissen die lichamelijk veel van de schuldenaar vergen zullen eerder als hoogstpersoonlijk kunnen worden gekenmerkt. Bij dat type verbintenissen is mijns inziens geen plaats voor een dwangsom.6 Naarmate de prestatie waartoe de schuldenaar zich verbindt echter een minder groot beslag legt op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar, zal hij zich minder geweld hoeven aan te doen om de verbintenis uit te voeren. Bovendien is het gevaar minder groot dat een dwangsom het te bereiken doel frustreert in plaats van stimuleert. Hoewel fysieke dwang7 en een rechterlijke machtiging ook zijn uitgesloten bij de verbintenis tot persoonlijke dienstverlening acht ik de toepassing van een dwangsom wel toelaatbaar. Naarmate een verbintenis echter meer vergt van de individuele capaciteiten van de schuldenaar, des te eerder het indirecte executiemiddel van de dwangsom is uitgesloten.
Ook rechtsvergelijkend is er veel voor te zeggen om de verbintenis tot persoonlijke dienstverlening niet volledig uit te sluiten van een veroordeling tot nakoming op straffe van een dwangsom. Een veroordeling tot nakoming van een door de schuldenaar persoonlijk te verrichten verbintenis is in het Franse recht in beginsel steeds afdwingbaar door middel van een dwangsom.8 Een mooi voorbeeld uit het Belgische recht is de zaak van autocoureur Michael Schumacher die door een Brusselse rechter werd veroordeeld om op straffe van een dwangsom een bedrukte helm te dragen waartoe hij zich bij een sponsorcontract had verbonden.9 In Frankrijk is de tendens zichtbaar dat onregelmatig ontslagen werknemers een met een dwangsom afdwingbaar recht op re-integratie hebben,10 al moet dit recht steeds worden afgewogen tegen het recht van de werkgever op de vrije inrichting van zijn onderneming.11 In Duitsland is de toepassing van de dwangsom zelfs geheel voorbehouden aan persoonlijk te verrichten verbintenissen. Alleen indien de prestatie niet door een derde kan worden verricht, mag de Duitse rechter een dwangsom opleggen.12§ 888 Abs. 1 ZPO luidt:
Kann eine Handlung durch einen Driften nicht vorgenommen werden, so ist, wenn sie ausschlieβlich von dem Willen des Schuldeners abhAngt, auf Antrag von dem Prozessgericht des ersten Rechtszuges zu erkennen, dad der Schuldner zur Vornahme der Handlung durch Zwangsgeld (...) anzuhalten sei.
Zoals reeds eerder opgemerkt kan wel een onderscheid worden gemaakt tussen hoogstpersoonlijke verbintenissen en niet-hoogstpersoonlijke verbintenissen,
.13 Het
maar bestaat er tussen beide typen verbintenissen een vloeiende overgang
is uiteindelijk aan de afweging van de rechter voorbehouden of hij een dwangsom gelast. Indicatoren voor de onwenselijkheid van toepassing van een dwangsom zijn de ingrijpendheid van de te verrichten prestatie op het persoonlijke leven van de schuldenaar en de gebrouilleerdheid van de partijrelatie.14 Deze aspecten dient de rechter af te wegen tegen het belang van de schuldeiser bij een afdwingbaar recht op nakoming.15
Het voorbeeld van een verbintenis tot persoonlijke (doorgaans geen hoogstpersoonlijke) dienstverlening waar géén plaats is voor een dwangsom is de arbeidsverplichting. Het beslag dat nakoming van de verbintenis op het privéleven van de schuldenaar legt, maakt nakomingsdwang onaanvaardbaar. Ten aanzien van de arbeidsverplichtingen is de toepassing van de dwangsom in de onderzochte rechtsstelsels dan ook uitgesloten.16 Een werknemer kan naar Nederlands recht weliswaar veroordeeld worden om zijn verbintenis na te komen, maar de rechter kan deze veroordeling geen kracht bijzetten door middel van een dwangsom.17 Ten aanzien van de verbintenis om arbeid te verrichten geldt dan ook het regime van de verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening: wel een veroordeling tot nakoming, maar niet onder toepassing van een dwangsom.