Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3.2.2
2.3.2.2 Juridische kanttekeningen bij voorlichting in het kader van rechtszekerheid
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661293:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de titels van de bijdragen van Stevens 2017 en Brandsma 2002; Niessen 1997, par. 5.
Zie uitgebreid in o.a. Oldenziel 1998, p. 91-92 en verwijzingen aldaar; Van de Sande 2019, p. 49-50; Scheltema 2018, p. 120; Stevens 2017; Michiels 2017, p. 18. Vgl. het citaat uit Koopman 2017 (onder verwijzing naar een strafrechtelijk werk van Stijnen), par. 4: ‘Eigenlijk luidt het adagium: Niemand kan zich erop beroepen dat hij de wet niet kent.’ Vgl. in taalkundige literatuur: Jansen en Steehouder 1989b, p. 13.
Van de Sande 2019, p. 50-51; Scheltema 2018, p. 120.
Oldenziel 1998, par. 8.5 (met name 8.5.3), par. 5.2.2, 7.2.3.
Witteveen 1992, p. 49. Zie ook Oldenziel 1998, p. 95 en Van de Sande 2019, p. 50-51.
Van de Sande 2019, p. 50-51 en par. 2.3.1.5.
Zie Van de Sande 2019, p. 56-58; Oldenziel 1998, p. 238; Scheltema 1997.
Oldenziel 1998, p. 235, 116; Scheltema 1997, p. 3; Van de Sande 2019, p. 57-58.
Blank & Osofsky 2017, p. 237-242; Scheltema 1997, p. 3: ‘De voorlichting van het bestuur zal waarschijnlijk niet zozeer gaan over de wettelijke regels, als wel over de wijze waarop het zelf die regels uitvoert.’ Van de Sande 2019, p. 57; Van den Heuvel 2018, p. 66-67. Over (on)partijdigheid en risico’s bij wetsuitleg, zie paragraaf 2.5.2.5 en 2.6.
Scheltema 1984, p. 546.
Gribnau 2013, p. 96; Gribnau 2018, p. 23, 26. Zie ook Van de Sande 2019, p. 56-57; Scheltema 1997, p. 3.
Van de Sande 2019, p. 57.
Oldenziel 1998, p. 32, 34; Scheltema 1984, p. 545-546. Overigens gaat het bij zowel Oldenziel als Scheltema om het vertrouwensbeginsel dat naast (en niet in plaats van) het legaliteitsbeginsel kan leiden tot rechtszekerheid (zie Oldenziel 1998, p. 44-45, 193-194). Oldenziel 1998, p. 34 bespreekt de situatie waarin sprake is van concurrentie tussen twee bronnen van rechtszekerheid, zoals enerzijds de wet en anderzijds een vertrouwenwekkende (van de wet afwijkende) uiting van het bestuur. ‘Wat brengt de rechtszekerheid in dit geval met zich mee? Vanuit theoretisch perspectief kan op die vraag geen eenduidig antwoord worden gegeven. Redenerend langs de lijn van de wet, die duidelijkheid verschaft over de rechtspositie van de burger, de voorwaarde dat de wet wordt toegepast en de voorspelbaarheid van het bestuurshandelen op basis van de wet, kan slechts één conclusie worden getrokken: de rechtszekerheid verzet zich tegen de contra legem-werking van het vertrouwensbeginsel. Wordt daarentegen geredeneerd vanuit de voorwaarde dat gewekt vertrouwen moet worden gehonoreerd en vanuit de op het vertrouwensbeginsel gebaseerde voorspelbaarheid van bestuurshandelen, dan is de conclusie precies tegenovergesteld: op grond van de rechtszekerheid moet de contra legem-werking van het vertrouwensbeginsel worden aanvaard.’
Ter illustratie: Hof Amsterdam 21 mei 1999, nr. 97/21509, r.o. 5.2. ‘De noodzaak tot voorlichting met betrekking tot het opleggen van aanslagen gaat naar het oordeel van het Hof overigens niet zover, dat het onvoldoende zijn van die voorlichting of het achterwege blijven daarvan kan leiden tot het vernietigen of verminderen van aanslagen die overigens in overeenstemming met de heffingsverordening zijn opgelegd.’ Zie verder hoofdstuk 4.
Eenieder wordt geacht de wet te kennen, hetgeen dus ook geldt voor de belastingwet.1 Het bovenstaande liet zien dat deze norm niet correspondeert met de werkelijkheid. Ook zal er geen jurist zijn die gelooft dat elke burger de (volledige) wet kent. De fictie wordt niettemin gehanteerd om ervoor te zorgen dat niemand zich aan zijn verplichtingen kan onttrekken met een beroep op gebrek aan kennis van de wet.2 Dan ontstaat wel een spanning met de werkelijkheid, waarin de meeste burgers geen wetten raadplegen, en zelfs al zouden zij dit doen, daaraan niet de vereiste rechtszekerheid zouden ontlenen. Scheltema en Van de Sande betoogden eerder dat dan een probleem ontstaat dat moet worden opgelost om het rechtsstatelijke systeem ‘sluitend te houden’.3 Een oplossing ligt in voorlichting. Zo beschouwt Oldenziel voorlichting als een strategie die is gericht op ‘herstel van het rechtsstaatmodel’, wat impliceert dat voorlichting instandhouding van dit idee mogelijk kan maken.4 Witteveen beschouwt het bestaan van middellijke communicatie tussen wetgever en burger, zoals door middel van voorlichting via de wetsuitvoerder, de belangrijkstereden dat de fictie in stand kan worden gehouden.
‘Dat er bemiddelende instanties zijn die tekst en uitleg geven aan de burger die geïnformeerd wil worden over rechten en plichten is de voornaamste voorwaarde voor het opschorten van het ongeloof omtrent de veronderstelde wetskennis van de burger.’5
Van de Sande leidt hieruit af dat het (enkele) bestaan van bereidheid van de overheid om burgers te informeren, voldoende is om de fictie vol te kunnen houden. De burger had de wet immers, met behulp van voorlichting van de overheid, kunnen kennen.6 Kanttekening daarbij is mijns inziens wel dat niet te snel mag worden aangenomen dat de leemte in rechtskennis van de burger is verholpen, omdat kennen of weten nog geen begrijpen is.
Bij de voorlichtende taak uit hoofde van rechtszekerheid moeten rechtsstatelijk gezien kanttekeningen worden gemaakt. Ik bespreek de belangrijkste bezwaren die in de literatuur7 naar voren komen, toegepast op de fiscale context.
In de eerste plaats leidt voorlichting door de Belastingdienst tot de opmerkelijke situatie dat de partij die de taak heeft burgers voor te lichten over de wet, tevens de partij is wiens handelen juist door diezelfde wet voorspelbaar beoogt te worden gemaakt.8 De Belastingdienst bevindt zich dus, gewild of ongewild, in een invloedrijke positie (paragraaf 6.3, 6.4). Bovendien is een paradoxaal gevolg dat door voorlichting de wet zelf naar de achtergrond verdwijnt, terwijl de interpretatie daarvan door de Belastingdienst als vertaler juist op de voorgrond komt.9 Daarnaast ontstaat een rechtsstatelijk probleem wanneer voorlichting tekortschiet en de burger daarmee niet de veronderstelde rechtszekerheid biedt, bijvoorbeeld wanneer de burger niet tegen achteraf onjuiste voorlichting wordt beschermd via het vertrouwensbeginsel.10 Wanneer de Belastingdienst geen of (te) beperkte voorlichting geeft, of geen juiste, volledige of begrijpelijke voorlichting, verkrijgt de burger geen duidelijkheid over zijn fiscale rechtspositie. Rechtsstatelijk gezien is dat onwenselijk nu hij juist was aangewezen op de voorlichting. Van de Sande betoogt dat als de burger in zo’n geval niet onderkent dat hij gebrekkig is geïnformeerd – en dat is goed denkbaar omdat de burger zich nu juist tot het bestuur heeft gewend vanwege zijn eigen kennislacune – van formele én materiele rechtszekerheid geen sprake is.11 Bovendien werkt de ‘reparatie van de rechtsstaatgedachte’ door rechtszekerheid via voorlichting dan niet.12 Oftewel, dan komt de fictie dat eenieder wordt geacht de wet te kennen onder druk te staan.
Gezien de rechtszekerheidsfunctie van voorlichting is van belang dat de burger wordt beschermd tegen tekortschietende voorlichting, zoals via het vertrouwensbeginsel. Door bescherming van bij de burger gewekte verwachtingen verkrijgt de burger in zo’n geval alsnog de rechtszekerheid die hij aan de voorlichting had ontleend. In zo’n geval biedt, in termen van Oldenziel, toepassing van het vertrouwensbeginsel een ‘alternatieve weg naar rechtszekerheid’.13 Een al te terughoudende opstelling bij toepassing van het vertrouwensbeginsel verhoudt zich niet met de rechtszekerheidsfunctie. Vooruitlopend op de fiscale jurisprudentie (hoofdstuk 4) valt op dat (i) de burger onder geldend recht daarentegen in beginsel niet aan voorlichting een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen, en (ii) een gebrek aan (goede) voorlichting in de regel geen gevolgen heeft voor de belastingaanslag.14 Bezien vanuit de rechtszekerheidsfunctie van voorlichting, is dat niet-evenwichtig (zie paragraaf 4.3, 4.7, 7.3, 7.6).