Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/8.4.1
8.4.1 Enquêterecht
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619280:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 3.9, HR 25 februari 2011, NJ 2011/335 (Inter Access), waarin de verwijzing wordt gemaakt naar r.o. 3.6, HR 19 oktober 2001, NJ 2002/92 (Skygate) en HR 14 september 2007, NJ 2007/611 (Versatel). Vgl. HR 11 juli 2014, NJ 2014/ 389 (Novero).
J.H.M. Willems, ‘Uitvoerbaarverklaring bij voorraad, Verhouding met het enquêterecht’, in: De nieuwe geschillenregeling, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 167 e.v.; C.D.J. Bulten, De geschillenregeling ten gronde, Serie VHI deel 108, Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 315. Anders: F. Veenstra, ‘Overleven dankzij het enquêterecht’, TvI 2015/7, p. 47.
Art. 2:356 aanhef en sub e BW of art. 2:349a lid 2 en 3 BW. Zie voor een nadere beschouwing: M.W. Josephus Jitta, ‘Aspecten van de overdracht ten titel van beheer door de Ondernemingskamer en de rol van de beheerder in het kader van de enquêteprocedure’, Ondernemingsrecht 2016/95, § 9.
R.o. 3.6, HR 19 oktober 2001, NJ 2002/92 (Skygate); Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 30 oktober 2014, JOR 2015/6, nr. 4.
Bijv.: Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 januari 2000, JOR 2000/74 (Skygate); Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 31 december 2009, JOR 2010/60 (Inter Access); Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 oktober 2015, JOR 2016/60 (Cunico).
M.W. Josephus Jitta en C.D.J. Bulten, ‘Kroniek uitkoop en geschillenregeling 2014’ in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 167.
R.o. 3.9, HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 (Zwagerman Beheer B.V.).
F. Veenstra en P.G.F.A. Geerts, ‘Doorbreking van impasses in de enquêteprocedure’, in: De toekomst van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolter Kluwer 2015, p. 569; C.D.J. Bulten, De geschillenregeling ten gronde, Serie VHI deel 108, Deventer: Kluwer 2011, p. 316. Voor voorbeelden en bijzonderheden in de rechtspraak verwijs ik naar: F. Veenstra, Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enqu ê terecht (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2010, hoofdstuk 4.3.3.
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 19 november 1998, JOR 1999/138 (Heprofor Holding).
In de periode 1994 tot medio 2009 betreft het ongeveer de helft van de circa 135 procedures waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen. Bron: F. Veenstra en P.G.F.A. Geerts, ‘Doorbreking van impasses in de enquêteprocedure’, in: De toekomst van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 572, voetnoot 33.
Bij het enquêterecht speelt de Ondernemingskamer door het treffen van onmiddellijke voorzieningen vaak een belangrijke rol bij het doorbreken van impasses.1 Als de meningsverschillen tussen aandeelhouders onoverbrugbaar zijn, kan de Ondernemingskamer de permanente overdracht van aandelen echter niet opleggen. Dit lijkt althans de heersende opvatting te zijn.2 De overdracht van aandelen kan slechts zien op een tijdelijke overdracht ten titel van beheer.3 Een voorziening die naar haar aard niet voorlopig is – en dus niet slechts tijdelijk inbreuk maakt op de geldende rechtsverhoudingen – kan niet worden aangemerkt als een onmiddellijke voorziening in de zin van art. 2:349a lid 2 BW.4 Ondanks dat de onmiddellijke voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen,5 is binnen het enquêterecht voor de definitieve overdracht van aandelen overeenstemming tussen partijen nodig.6 Ook indien van wanbeleid is gebleken, kan de Ondernemingskamer geen voorziening treffen tot permanente overdracht van aandelen (omdat die voorziening niet is opgenomen in de limitatieve lijst van art. 2:356 BW).7
Voor een definitieve gedwongen aandelenoverdracht zijn partijen aangewezen op de geschillenregeling. In het enquêterecht kunnen aandeelhouders echter wel tot een minnelijke oplossing proberen te komen. Deze kan inhouden dat partijen gedurende de procedure overeenkomen dat één van de aandeelhouders zijn aandelen zal verkopen en leveren aan de ander(en), tegen een door een deskundige bindend vast te stellen prijs. De Ondernemingskamer stelt hiertoe op verzoek van partijen een deskundige aan.8 De Ondernemingskamer kan de deskundige(n) aanwijzingen geven, maar die zijn wat het waarderingsperspectief betreft vaak te beperkt. Zo wordt bijvoorbeeld slechts vermeld dat drie deskundigen worden benoemd en dat zij rekening dienen te houden met alle omstandigheden van het geval.9 Feenstra en Geerts geven weer dat in de periode vanaf medio 2009 tot enmet medio 2015 in circa dertig van de circa zestig impasseprocedures waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, de aandeelhouders vervolgens tot minnelijke regelingen zijn gekomen.10 Weliswaar wordt een deskundige in een bepaalde situatie (van bijvoorbeeld een geschillenregeling of uitkoopregeling) benoemd waardoor de waarderingscontext lijkt gegeven, het hoeft voor een deskundige nog niet duidelijk te zijn of de waarde voor de kopende of verkopende aandeelhouder moet worden bepaald, of juist de waarde in het economische verkeer. Kortom, het is niet duidelijk vanuit welk waarderingsperspectief een waarderingsdeskundige zijn analyse moet maken.