Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/13.4.0
13.4.0 Introductie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577852:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Eén van de weinige uitzonderingen is het opleggen van strengere verplichtingen gericht op het melden of openbaar maken van zeggenschaps- of aandelenbelangen. Zie hierover het rapport van het Directoraat Interne Markt van de Europese Commissie van 12 december 2008 over strengere, door lidstaten voorgeschreven, verplichtingen dan de Transparantie-richtlijn voorschrijft (http://ec.europa.eu/intemal_market/securities/docs/transparency/reportmeasures_122008_en.pdf, p. 25 e.v.). Ook de in Nederland voorgenomen verlaging van de (eerste) meldingsdrempel in het Wetsvoorstel Frijns vormt daarvan een voorbeeld.
In de voorgaande paragrafen is besproken dat de uit het FSAP voortvloeiende regelgeving in zeer beperkte mogelijkheden voorziet voor lidstaten om te concurreren bij de vormgeving van het publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen. Een in het verlengde daarvan liggende vraag is of in de praktijk van deze, beperkte, mogelijkheden door lidstaten ook gebruik wordt gemaakt.
Uit enkele ontwikkelingen kan naar mijn mening vastgesteld worden dat daarvan nauwelijks sprake lijkt te zijn. Als concurrentieoverwegingen tussen de Europese lidstaten bovendien al een rol spelen bij de vormgeving van publicatieverplichtingen, lijken deze eerder te leiden tot minder waarborgen voor de positie van (minderheids)aandeelhouders dan tot meer juridische bescherming van die positie. Voor zover, met andere woorden, tussen de Europese lidstaten een "regulatory competition" bij de vormgeving van de publicatieverplichtingen gaande is, lijkt dit dus niet te leiden tot een "race to the top”.1