Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.4.2
1.4.2 VAT Gap
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500329:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
De VAT Gap maakt daarmee deel uit van de meeromvattende Tax Gap, dat betrekking heeft op alle belastingen. Van de VAT Gap (en de Tax Gap) moet de zogenaamde Policy Gap worden onderscheiden. De Policy Gap ziet op de meeropbrengsten die de Belastingdienst in theorie zou kunnen behalen wanneer op alle goederen en diensten hetzelfde (algemene) btw-tarief zou worden toegepast en vrijstellingen zouden worden geëlimineerd. De Policy Gap wordt daarom ook wel onderverdeeld in de zogenoemde Rate Gap en de zogenoemde Exemption Gap. Zie in dat verband onder meer het hierna in deze paragraaf aan te halen rapport van de Europese Commissie van 18 september 2017, TAXUD/2015/CC/131, te downloaden via www.ec.europa.eu/taxation_customs/business/tax-cooperation-control/VAT Gap_en.
Het vaststellen van de oorzaak van de VAT Gap is essentieel om te bepalen welke partij (de wetgever, de Belastingdienst of de belastingplichtige) in actie moet komen om het btw-lek te beperken (Brief staatssecretaris Financiën van 10 juli 2014, nr. DGB/2014/3806, V-N 2014/40.21).
Brief nr. DGB/2014/5511 van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2014, V-N 2014/55.30.
Brief nr. IZV/2014/44 van de staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2014 (aanhangsel Kamerstukken II 2013/14, nr. 1985), V-N 2014/27.22.
Het aantal verzoeken om teruggaaf varieerde grofweg tussen de 20.000 en 30.000 per jaar.
Onder ‘recovery rate’ wordt verstaan het percentage waarvoor een crediteur (bij faillissement van zijn debiteur) wordt voldaan.
De omvang zou gelijk zijn aan het door de Belastingdienst uitbetaalde bedrag wanneer de btw op alle facturen ook door de (insolvente) ondernemers in aftrek zou zijn gebracht en de Belastingdienst niet in staat zou zijn de correctie hierop daadwerkelijk door te voeren.
Dit is juist. Zoals opgemerkt, vinden de correctiebepalingen dan geen toepassing. Van niet-betaling zal immers geen sprake meer kunnen zijn.
Rapport van de Europese Commissie van 18 september 2017, TAXUD/2015/CC/131, te downloaden via www.ec.europa.eu/taxation_customs/business/tax-cooperation-control/VAT Gap_en.
Ter vergelijking: in Roemenië bedraagt dit percentage ruim 37%. In Zweden wordt opvallend genoeg meer geïnd dan nodig (-1%), hetgeen onder meer wordt toegeschreven aan mogelijk incomplete informatieverschaffing door de Zweedse overheid. Hierbij verdient opmerking dat er verschillende methodes zijn aan de hand waarvan de VAT Gap kan worden berekend. De Europese Commissie hanteert een zogenaamde ‘top-down’-benadering (in plaats van een ‘bottom-up’-benadering). Bij de ‘top-down’-benadering worden op basis van macrogetallen, bijvoorbeeld afkomstig van statistische instituten, de geraamde belastingontvangsten berekend en vervolgens vergeleken met de feitelijke belastinginkomsten. De ‘top-down’-benadering is een grofmazige methode die beperkingen kent. Met de bottom-up’-benadering wordt de VAT Gap op basis van steekproeven en data-analyse bepaalt en betreft een meer fijnmazige aanpak. Zie over de verschillende methodes ook de Brief nr. DGB/2014/5511 van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2014, V-N 2014/55.30.
Uit de Brief nr. IZV/2014/44 van de staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2014 (aanhangsel Kamerstukken II 2013/14, nr. 1985), V-N 2014/27.22 volgt dat het op grond van art. 29 Wet OB 1968 uitbetaalde bedrag 141 miljoen euro bedraagt. Dit is het maximale btw-lek dat voortvloeit uit toepassing van art. 29 Wet OB 1968. Europese cijfers (voornoemd rapport van de Europese Commissie) laten zien dat de VAT Gap in dat jaar bij benadering 4,742 miljard euro bedraagt. Het aandeel van art. 29 Wet OB 1968 bedraagt aldus maximaal 3% (141/4.742).
Derhalve sta ik ook niet stil bij mogelijke manieren om de VAT Gap te bestrijden, zoals (binnen de kaders van de btw) de invoering van een kasstelsel of een algehele verleggingsregeling. Dergelijke oplossingen doen overigens flink afbreuk aan het btw-systeem dat we nu kennen en als meest optimale stelsel beschouwen (paragraaf 2.4).
Ik neem in deze studie het huidige btw-systeem tot uitgangspunt. Ik ga niet in op (vermeende) onvolkomenheden van het algehele btw-systeem an sich. Ook eventuele oorzaken van het niet naar behoren functioneren van het systeem laat ik buiten beschouwing. Ik denk daarbij aan de zogenoemde ‘VAT Gap’. Dit is het verschil tussen het btw-bedrag dat in theorie door de Belastingdienst geïnd moet worden en het daadwerkelijk door de Belastingdienst geïnde btw-bedrag.1 De VAT Gap heeft verschillende oorzaken.2 Gedacht kan worden aan fouten die gemaakt worden door complexiteit en onuitvoerbaarheid van regelgeving, bewuste fraude en insolvabiliteit. Voor de meeste oorzaken is onduidelijk in welke mate zij bijdragen aan de VAT Gap. Een uitzondering geldt voor insolvabiliteit. Het bedrag dat vanwege insolvabiliteit niet binnenkomt, kan worden afgeleid uit de systemen van de Belastingdienst.3 Uit een vragen- en antwoordenbrief van 16 mei 2014 van de staatssecretaris van Financiën volgt dat één van de specifieke insolventiegerelateerde oorzaken van de VAT Gap wordt toegeschreven aan art. 29 Wet OB 1968.4 De Belastingdienst is op grond van deze bepaling gehouden om de leverancier bij niet-betaling teruggaaf van btw te verlenen, terwijl de eveneens op grond van deze bepaling corresponderende correctie van de aftrek bij de afnemer in de praktijk niet kan worden geëffectueerd. Uit het in de brief opgenomen cijfermatig overzicht volgt dat de Belastingdienst over de jaren 2009 t/m 2013 op de voet van art. 29 Wet OB 1968 meer btw heeft gerestitueerd dan de Belastingdienst op grond van onderhavige bepaling heeft ontvangen. Naar blijkt heeft de Belastingdienst over bedoelde jaren ingevolge art. 29 Wet OB 1968 jaarlijks zo’n 125 tot 150 miljoen euro uitbetaald.5 Omdat over de omvang van de btw-aftrek met betrekking tot de hieraan ten grondslag liggende facturen niets bekend is (en naar mij voorkomt ook over de ‘recovery rates’6), kan over de omvang van het exacte ‘art. 29-lek’ helaas geen uitspraak worden gedaan.7 In bedoelde brief wordt voorts gesteld dat de wetgever het btw-lek zou kunnen dichten met de invoering van een kasstelsel.8 De staatssecretaris van Financiën lijkt echter niet heel erg van dit alternatief gecharmeerd. Zo heeft de invoering van een verplicht kasstelsel een bredere impact dan enkel ten aanzien van de gevallen waarin sprake is van het genoemde btw-lek. Bovendien vergt de invoering van een kasstelsel dat de Europese Commissie zal moeten worden geraadpleegd. Over de Europese Commissie gesproken: op 18 september 2017 heeft de Europese Commissie een rapport gepubliceerd over de VAT Gap in alle 28 EU-lidstaten.9 Uit dit onderzoek volgt onder meer dat de VAT Gap in Nederland wordt geschat op bijna 3,9 miljard euro (cijfers 2015). Dit is ongeveer 8% van de totale door alle ondernemers in dat jaar verschuldigde btw.10 De Europese Commissie geeft niet aan in welke mate insolventie en faillissement precies aan de VAT Gap bijdragen. Gecombineerde cijfers over het jaar 2013 laten zien dat het aandeel van art. 29 Wet OB 1968 in de VAT Gap bij benadering maximaal 3% bedraagt.11 De in dit onderzoek te behandelen problematiek draagt daarmee slechts voor een fractie bij aan de VAT Gap. Reden temeer om de VAT Gap verder onbehandeld te laten.12