Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.9
2.2.9 De leer van de redelijke uitleg van grondrechten
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454022:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 21. Zie hierover ook Vermeulen 1993, p. 6.
Zie noot B.P. Vermeulen bij: ABRvS 3 december 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN6386, AB 2000, 291.
Wet van 20 april 1988, Stb. 1988, 157 (dossiernr. 19 427).
Zie noot J.L.W. Broeksteeg bij: ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448, JB 2011, 192 (Tilburgse pastoor). Overigens kan men betogen dat het luiden van klokken binnen een kerkgebouw plaatsvindt en dat er om die reden enkel beperkt zou kunnen worden op het niveau van de formele wet (art. 6 lid 1 Gw).
Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 4, p. 91-92. De nationale rechter past ten aanzien van dit thema ook de leer van de redelijke uitleg toe.
ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448, JB 2011, 192 (Tilburgse pastoor).
EHRM 16 oktober 2012, nr. 2158/12 (Schilder v Nederland) par. 18.
Ortlep verwijst in Jbplus 2013, p. 192-209 ten aanzien van het bestuursrecht naar Vz. ARRvS 17 augustus 1990, AB 1991, 44, m.nt. Boon; Gst. 6913, 3, m.nt. Brederveld; ARRvS 16 juni 1993, AB 1994, 424, m.nt. Riezebos; Gst. 6977, 3, m.nt. Brederveld; ABRvS 25 januari 2001, Gst. 7140, 7, m.nt. Teunissen; BR 2001, p. 71, m.nt. Weerkamp. Zie Vz. ARRvS 16 februari 1989, AB 1990, 9, m.nt. Boon; Gst. 6883, 11, m.nt. Teunissen; AA 1990, p. 398 e.v., m.nt. Akkermans; ABRvS 3 december 1998, AB 2000, 291, m.nt. Vermeulen.
Zie Ortlep, Jbplus 2013, p. 209. Hij verwijst hiervoor naar Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3 p. 20-22.
Hieronder schaar ik ook de in de jurisprudentie tot uitdrukking gekomen connex-leer, waar bijvoorbeeld het recht op belijden (art. 6 Gw) in samenhang (verbinding) wordt begrepen met het recht te betogen (art. 9 Gw) om zodoende het gebruikmaken van geluidsversterkende apparatuur als geloofsverkondiging te kunnen beperken op grond van de beperkingssystematiek van art. 9 Gw. Zie ABRvS 5 januari 1996, AB 1996, 179, m.nt. Hofman; Gst. 7026, 2, m.nt. Brederveld. Zie ook Vz. ABRvS 1 april 2010, AB 2010, 240, m.nt. Vlemminx.
De reikwijdte van de beperkingen van de godsdienstvrijheid kan worden beïnvloed door de wijze waarop men het algemene beperkingsregime toepast. Zo kan men buiten de beperkingsclausule om beperkingen aanvaarden. Een mogelijke consequentie van het niet strikt toe passen van de beperkingsclausule is dat in sommige gevallen bepaalde religieuze uitingen en gedragingen niet vallen binnen de reikwijdte van het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid.
De regering huldigde tijdens de grondwetsherziening van 1983 de opvatting dat in principe alle grondrechtbeperkingen herleidbaar moeten zijn tot een beperkingsclausule. Slechts op de betreffende clausulering gebaseerde beperkingen zijn geoorloofd. Tegelijkertijd relativeerde de regering dit standpunt enigszins door te stellen dat in uitzonderingsgevallen hiervan mag worden afgeweken en dat de reikwijdte van een grondrecht altijd redelijk moet worden uitgelegd zodat grondrechts-neutrale beperkingen van algemene aard zoals verkeersveiligheid en volksgezondheid niet te snel als ongrondwettig moeten worden beschouwd.1 Daarmee heeft de Nederlandse grondwetgever expliciet ruimte gelaten voor ‘ontsnappingsroutes’2 die invloed kunnen hebben op de reikwijdte van het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid. Een voorbeeld van het gebruik van een dergelijke ‘ontsnappingsroute’ blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10 Wet openbare manifestaties (Wom).3 De Wom is een wet in formele zin die uitvoering geeft aan de beperkingsclausule van artikel 6 lid 2 Grondwet. Op grond van artikel 6 lid 2 Grondwet mag de uitoefening van de vrijheid van godsdienst buiten gebouwen en besloten plaatsen worden ingeperkt op basis van de volgende doelcriteria: de bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. In artikel 10 Wom heeft de wetgever ten aanzien van klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden deze doelcriteria niet in acht genomen en bepaalt dat de gemeenteraad bevoegd is regels hieromtrent te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau. Uit de parlementaire geschiedenis4 van deze wet blijkt echter dat de wetgever klokgelui typeert als een uiting met een religieus karakter. Op grond daarvan zou het voor de hand liggen wanneer de doelcriteria van de beperkingsclausule in acht worden genomen.5
Desondanks legt de wetgever de beperkingsclausule van de godsdienstvrijheid zo uit dat hieronder niet valt de regulering van de duur en het geluidsniveau van het luiden van kerkklokken. De wetgever meent dat dit niet zozeer een beperking is van de godsdienstvrijheid maar dat deze regulering voortvloeit uit een redelijke uitleg van het grondrechtsobject van artikel 6 Grondwet, dat wil zeggen, dat een redelijke uitleg van de grondwettelijke terminologie ‘vrijheid tot het belijden van godsdienst’, excessieve geluidsproductie uitsluit.6 De ABRvS volgt de wetgever in deze benadering in een zaak over een Tilburgse pastoor die in hoger beroep ging tegen een opgelegde dwangsom vanwege het overtreden van een APV die hem verbood om voor 07.30 uur de kerkklokken excessief te luiden.7
Zoals gesteld is de leer van de redelijke uitleg niet van toepassing op het EVRM. Toen het EHRM van bovengenoemde pastoor de klacht kreeg dat de Nederlandse staat zijn godsdienstvrijheid neergelegd in artikel 9 EVRM had geschonden, kwalificeerde het de bovengenoemde APV als een rechtmatige beperking conform de beperkingsclausule van artikel 9 lid 2 EVRM. Het EHRM kwalificeerde het in geluidsvolume onbegrensd klokkenluiden dus wel als een uiting die valt onder de godsdienstvrijheid maar achtte een verbod gerechtvaardigd.8 We zien hier dus de opmerkelijke situatie dat de nationale wetgever en rechter een uiting niet kwalificeren onder de reikwijdte van de godsdienstvrijheid (zoals opgenomen in artikel 6 Grondwet) terwijl het EHRM dit wel doet (zij het dan onder de noemer van artikel 9 EVRM). Daarmee vormt deze zaak een bevestiging van het vermoeden dat de reikwijdte van artikel 9 EVRM ruimer is dan die van artikel 6 Grondwet. Desalniettemin leveren beide benaderingen hetzelfde resultaat op; namelijk dat de pastoor zijn kerklokken niet excessief en vroegtijdig mag luiden.
De leer van de redelijke uitleg heeft in het nationale recht brede ingang gevonden.9 Zij wordt beschouwd als een argumentatietechniek waarbij wordt aangenomen dat een grondrecht niet zo opgevat moet worden als zou het insluiten dat een bepaalde handeling die in abstracto binnen de reikwijdte van dat recht valt in concreto op ieder moment, overal en op elke wijze bescherming behoeft.10 De consequentie van deze leer is dat de reikwijdte van het grondrechtsobject van artikel 6 Grondwet niet geheel statisch is maar een enigszins situatie-afhankelijke invulling krijgt. Ze kan veranderen indien ze in conflict komt met een algemeen aanvaarde maatschappelijke rechtsregel.11