Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.4
2.2.4 Is er sprake van een godsdienstige of levensbeschouwelijke ‘leer’ of ‘traditie’?
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454020:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Ooijen 2012, p. 121.
EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88 (Kokkinakis v Greece), par. 31; EHRM 6 november 2008, nr. 58911/00 (Leela Forderkreis e.V. v Germany), par. 80; EHRM 15 januari 2013 nr. 48240/ 10 (Eweida and Others v United Kingdom), par. 81. Zie ook Kamerstukken II 1975-76, 13872, nr. 6 (Voorlopig Verslag), p. 11; Pel 2013, p. 58.
Zo erkent het EHRM de gebruiken met betrekking tot de rituele slacht van een orthodoxe variant van het Jodendom als onderdeel van een religie. EHRM 27 juni 2000, nr. 27417/ 95, AB 2000, 116, m.nt. B.P. Vermeulen.
EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88 (Kokkinakis v Greece).
EHRM 4 maart 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0304JUD0000755209 (Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints v UK).
EHRM 18 september 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0918DEC002289708 (Ásatrúarfélagið v Iceland).
ECRM 15 oktober 1981, nr. 8652/79 (X. v Austria).
EHRM 6 november 2008, nr. 58911/00 (Leela Forderkreis v Germany).
ECRM 19 maart 1981, nr. 8118/77 (Omkarananda and the Divine Light Zentrum v Switzerland).
Volgens het ECRM was de justitiabele er niet in geslaagd uiteen te zetten wat de Wicca-religie inhoudt en kon de Wicca-religie daarom niet worden geïdentificeerd als een religie. ECRM 4 oktober 1977, nr. 7291/75 (X. v UK).
EHRM 1988, 10 EHRR 503 (Chappell v UK). Zie Murdoch 2012, p. 17.
ECRM 29 maart 1993, nr. 19459/92 (F.P. v Federal Republic of Germany).
Zie noot 4.
Van Boven 1967, p. 124,125.
Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage oordeelde conform de grondwetsgeschiedenis dat een politieke overtuiging niet hetzelfde is als een levensovertuiging, omdat een levensovertuiging betrekking heeft op alle facetten van het leven. Gerechtshof ’s-Gravenhage 19 maart 2003, NJ 2003, 382.
EHRM 12 oktober 1978, nr. 7050/75 (Arrowsmith v UK).
EHRM 3 september 1986, nr. 10491/1983 (Angelini v Sweden).
EHRM 10 februari 1993, nr. 18187/91 (C.W. v UK).
EHRM 11 oktober 1991, nrs. 16311/90, 16312/90 en 16313/90 (Hazar, Hazar and Acik v Turkey).
Ten aanzien van levensovertuiging: EHRM 25 februari 1982, nr. 7511/76 en 7743/76 (Campbell and Cosans v UK), par. 36. Ten aanzien van godsdienst: EHRM 15 januari 2013, EHRC 2013/67 (Eweida and Others v United Kingdom), par. 82.
EHRM 10 juli 1998, nr. 57/1997/841/1047 (Sidiropoulos and others v the UK), par. 41.
ECRM 13 oktober 1982, nr. 8566/79, (Y., Y. en Z. v het Verenigd Koninkrijk), gevonden in: Vanden Heede 2015.
EHRM 18 March 2008 (dec.), appl. no. 14618/03 (Blumberg v Germany).
ECRM 10 maart 1981, nr. 8741/79. (X. v de Bondsrepubliek Duitsland).
Zie EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty v the UK).
Venter 2015, p. 11; Witte , p. 100-101; Sandberg 2011, p. 50.
Nehushtan 2008, p. 243-267; Eisgruber & Sager 2007.
Webber 2008, p. 26-43.
HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173, m.nt. ThWvV, r.o. 5.
Conclusie AG Francks bij HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
Rb. Oost-Brabant 15 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:762, r.o. 5.5.
Zie voor een minder overtuigende argumentatie: Rb. Noord-Nederland 28 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3626, r.o. 2.4; Rb. Gelderland 17 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:275, r.o. 7; CRM 11 december 2017, oordeel 2017-145. De Noord-Nederlandse rechtbank stelt dat de eiser er niet in is geslaagd te bewijzen dat het pastafarisme het dragen van een hoofddeksel voorschrijft. De rechter lijkt in de bewijslast vooral mee te wegen dat de eiser soms om niet-religieuze redenen afziet van het dragen van het vergiet. De benadering van de Rechtbank Gelderland is welbeschouwd in de kern dezelfde als die van de Rechtbank Noord-Nederland. De rechter vindt het onaannemelijk dat het vliegend spaghettimonster eiser verbiedt om zonder vergiet op de foto te gaan. Ook in de zaak voor het College voor de Rechten van de mens (CRM) ligt de focus op de gedraging (in dit verband het dragen van een piratenkostuum) in plaats van op de godsdienstige leer of traditie zelf. In tegenstelling tot de Rechtbank Noord-Nederland, de Rechtbank Gelderland en het CRM focust de Rechtbank Oost-Brabant niet op de gedraging zelf maar juist op de leer of traditie. Haar oordeel komt erop neer dat zij het pastafarisme ongeloofwaardig acht. De benadering van de Rechtbank Oost-Brabant heeft de voorkeur omdat de hete aardappel in deze kwestie vooral het geloof in het vliegend spaghettimonster zelf is en in mindere mate of het dragen van een vergiet (of een piratenkostuum) ‘intimately linked’ is met deze ‘godsdienst’. Zie hierover: Vleugel, RMThemis 2017/5; Hennekens, WPNR 2016/7105; Verheij, NJB 2018/2.
EHRM 25 februari 1982, nr. 7511/76 en 7743/76 (Campbell and Cosans v UK), par. 36. Wat met menselijke waardigheid wordt bedoeld is discutabel. J. Murdoch (Protecting the right to freedom of thought, conscience and religion, Council of Europe 2012, p. 16) stelt dat overtuigingen die de hulp aan zelfdoding (EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty v the UK), par. 31), de voorkeur voor een bepaalde taal (EHRM 23 juli 1968, nrs. 1474/62; 1677/62; 1691/62; 1769/63; 1994/63; 2126/64 (Belgian Linguistic case), par. 6.), of het uitstrooien van menselijke overblijfselen (as) over het eigen land om religieuze redenen (EHRM 10 maart 1981, nr. 8741/79 (X. v Germany)) , huldigen, hiermee in strijd zijn.
De Beer werpt de vraag op of deze overtuigingen ook als levensovertuiging kunnen gelden. Zie De Beer, S&D 2007/10, p. 23.
Het EHRM spreekt in het kader van deze Turkse zaak over secularisme. Hiermee bedoelt het m.i. een staatsmodel waarin kerk en religie geen overwegende invloed hebben op wetgeving, rechtspraak en bestuur.
EHRM 13 februari 2003 (GK), nr. 41340/98, 41342/98, 41343/98 en 41344/98, NJ 2005, 73, m.nt. Alkema; AB 2003, 152, m.nt. Kanne, ECLI:NL:XX:2003:AN7452 (Refah Partisi (the Welfare Party) e.a. v Turkije), par. 93.
Uit de standaardarresten en de literatuur hierover valt op te maken dat de nationale rechter in het kader van artikel 6 Grondwet of artikel 9 EVRM geen inhoudelijke definitie heeft gegeven van een godsdienstige leer of traditie. Dit geldt ten aanzien van artikel 9 EVRM ook voor het EHRM.1 Wel kunnen we uit de nationale en EHRM jurisprudentie opmaken dat in het kader van artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM zowel christelijke als niet-christelijke geloofsovertuigingen tot godsdienst worden gerekend en dat de geloofsbeleving zowel op individuele als gemeenschappelijke basis kan plaatsvinden.2 De grote religieuze tradities (christendom, Jodendom, islam, boeddhisme, hindoeïsme) en de minderheidsvarianten van deze godsdiensten worden dan ook probleemloos als religie erkend.3 Over maatschappelijk gezien minder vertrouwde of traditionele religies en overtuigingen geeft het EHRM, net als de Nederlandse rechter in het kader van artikel 6 Grondwet minder duidelijkheid. Zo worden het Jehova’s getuigen-geloof,4 het mormonisme,5 het neo-paganisme,6 de Moonbeweging,7 de Bhagwanbeweging 8 en de beweging van het Divine Light Zentrum 9 wel als religies of levensovertuigingen gekwalificeerd, maar laat het EHRM bijvoorbeeld open of de Wicca-beweging10 en het druïdisme11 juridisch te beschermen godsdiensten zijn. Over de uitlating dat de Holocaust een zionistische leugen is concludeerde de Commissie dat deze ‘(…) did not reflect a “belief” within the meaning of Article 9 of the Convention (…)’.12
De wordingsgeschiedenis van artikel 18 UVRM (de totstandkoming van artikel 9 EVRM is hierop geïnspireerd13) toont aan de vrijheid tot het belijden van godsdienst of het tot uitdrukking brengen van levensovertuiging geen betrekking heeft op uitingen en gedragingen die vallen buiten het religieuze en levensbeschouwelijke vlak. Welke uitingen en gedragingen dit zijn is ook niet geheel duidelijk. Men kan denken aan uitingen en gedragingen op het gebied van de politiek, de wetenschap en de cultuur. Deze vallen onder het bereik van artikel 19 van het UVRM (vrijheid van meningsuiting).14 Ook de Nederlandse rechter kwalificeert politieke overtuigingen niet als godsdienst of levensovertuiging.15 Bekende (politieke) waardesystemen als het pacifisme,16 atheïsme, 17 veganisme 18 en communism 19 werden door het EHRM echter wel als levensovertuiging erkend. De grens tussen een levensovertuiging en een politieke, wetenschappelijke of culturele overtuiging is daarmee in de EHRM-jurisprudentie vervaagd.
Het EHRM stelt als bodemeis voor een beroep op de godsdienstvrijheid dat sprake moet zijn van denkbeelden met een ‘zekere graad van begrijpelijkheid, ernst (serieusheid), cohesie (samenhang) en belangrijkheid’: ‘The right to freedom of thought, conscience and religion denotes views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance’.20
Het EHRM stelt bovengenoemde eisen als voorwaarde om een beroep te kunnen doen op de godsdienstvrijheid. Dit impliceert dat godsdienst zelf begrijpelijk, serieus, samenhangend en belangrijk is. Het EHRM heeft de betekenis van deze termen niet verder geëxpliciteerd. Ze zijn vaag. Want hoe bepaalt het EHRM of een godsdienstige opvatting begrijpelijk, serieus samenhangend of belangrijk is?
Met de term begrijpelijkheid kan men nog redelijk uit de voeten. Als er aan de opvattingen van het rechtssubject geen touw is vast te knopen dan kan men in algemene zin stellen dat ze onbegrijpelijk zijn. Een rechter kan moeilijk onbegrijpelijke opvattingen als godsdienstig kwalificeren. Dat zou de deur openzetten om elke singuliere opvatting als zodanig te kwalificeren. De eis van voldoende samenhang kan men in het licht zien van de eis van begrijpelijkheid. Vage ideeën of opvattingen21 en tegenstrijdige verklaringen 22 zijn immers niet samenhangend en daardoor vaak niet goed te begrijpen. De term samenhang is wellicht het beste te toetsen. Men kan immers nagaan in hoeverre opvattingen van een rechtssubject op elkaar zijn afgestemd en een groter geheel vormen of dat de opvatting slechts betrekking heeft op één aspect van het leven. Over deze eis is dan ook de meeste jurisprudentie te vinden. In de Blumberg-zaak oordeelde het EHRM dat de weigering van een bedrijfsarts om een aspirant-bedrijfsarts te onderzoeken wegens een moreel dilemma niet kan worden gekwalificeerd als een levensovertuiging. Het EHRM overwoog:
‘(…) that the applicant’s refusal to examine the apprentice does not constitute an expression of a coherent view on a fundamental problem and that it cannot therefore be regarded as a “manifestation of personal beliefs” in the sense protected by Article 9 (…).’23
Ook vond het EHRM de wens om na overlijden als as uitgestrooid te worden over het eigen land onvoldoende getuigen van een coherente visie op bepaalde fundamentele problemen om als levensbeschouwelijke overtuiging te kunnen worden gekwalificeerd.24 We zien in deze zaken dat het EHRM de eis van samenhang koppelt aan het idee dat een godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting betrekking moet hebben op een fundamenteel vraagstuk.25 Een godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting is een samenhangende visie op een fundamenteel vraagstuk. Het EHRM expliciteert niet wat het bedoelt met een ‘fundamenteel vraagstuk’. Sommige auteurs opperen dat hiermee gerefereerd wordt aan bepaalde universele levensvragen, zoals die over de oorsprong, zin en doel van het bestaan.26 Anderen stellen dat in principe alle diep doorvoelde gewetensvragen hieronder kunnen vallen.27
We kunnen de eis van samenhang ook begrijpen vanuit het perspectief van de gevestigde godsdiensten. Aangezien deze godsdiensten veelal een samenhangende visie op alle aspecten van het leven inhouden (denk aan het katholicisme) is men wellicht geneigd om ook andere godsdienstige en levensbeschouwelijke opvattingen door die bril te zien.28
De eisen van serieusheid en belangrijkheid zijn subjectief van aard. Deze eisen hebben betrekking op de gemoedstoestand van een rechtssubject. Is het rechtssubject serieus in zijn claim of is zijn claim onoprecht? En: vindt het rechtssubject zijn godsdienst wel zo belangrijk dat het hieraan rechten wilt ontlenen? Toch stelt het EHRM deze eisen aan godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen als zodanig en niet enkel aan de aanhangers van een godsdienst of levensbeschouwing. Met andere woorden: godsdienst zelf moet serieus en belangrijk zijn. Dit valt te verklaren wanneer we bedenken dat uit de ontstaansgeschiedenis van een ‘godsdienst’ kan blijken dat deze niet serieus is bedoeld. Het EHRM kiest ervoor om dergelijke godsdiensten niet te beschermen, ook niet wanneer de huidige aanhangers van diezelfde godsdienst het wel serieus menen. Men kan immers oprecht een niet-serieus bedoelde godsdienst aanhangen. De ‘stichters’ van een dergelijke godsdienst waren dan niet serieus maar vervolgens zijn er aanhangers die geloven dat de godsdienst wel serieus bedoeld is. Dit is echter vrij onwaarschijnlijk en is vooral een theoretische mogelijkheid. De andere wel meer waarschijnlijkere optie is dat men onoprecht een serieuze of niet-serieuze godsdienst aanhangt. Dit kan men doen om er beter van te worden, bijvoorbeeld als dekmantel voor belastingontduiking. Vermoedelijk is het voorkomen van dit soort misbruik de reden geweest dat het EHRM de eis van ernst of serieusheid heeft geformuleerd.
Een Nederlands voorbeeld van een zaak waarin de ernst van een beweerdelijk aangehangen godsdienst ter discussie stond is het Sint Walburga-arrest. Het ging hier om een seksclub die zich presenteerde als kerkgenootschap (‘Kerk van Satan’) om zich zo te kunnen onttrekken aan routinematige politiecontroles. Deze zouden volgens de uitbaters van deze seksclub het ‘satanistische ritueel’ verstoren. De Hoge Raad accepteerde de uitleg van het Gerechtshof Den Haag, dat de seksuele activiteiten die plaatsvonden in de seksclub niet konden worden gekwalificeerd als activiteiten in het kader van een godsdienst. Hoewel het hof overwoog dat gezien de multiculturele samenleving niet alleen aanhangers van de christelijke of joodse godsdienst zich mogen beroepen op artikel 6 Grondwet, stelde het wel de eis ‘… dat het om godsdienst gaat…’. Het hof overwoog dat de activiteiten van de seksclub zich in niets onderscheiden van de activiteiten van een gewone seksclub en dat bij de bezoekers en bij het personeel (‘zusters’ van Walburga) geen religieuze ervaring zou zijn waar te nemen.29 Het hof legde daarbij niet verder uit waarom er geen sprake was van godsdienst en waarin een normale ervaring verschilt van een religieuze ervaring.
Advocaat-Generaal Franx meent echter dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Volgens Franx kunnen activiteiten die zich in niets onderscheiden van hetgeen zich in een gewone sexclub afspeelt in ernst redelijkerwijs niet worden beschouwd als godsdienstuitoefening. In tegenstelling tot het hof geeft Franx in zijn conclusie wel een uitgebreide argumentatie. Voorop stelt hij dat een wettelijke definitie van het begrip godsdienst niet voorhanden is. Vervolgens stelt Franx dat de vrijheid van godsdienst met zich brengt dat de wetgever zich onthoudt van beantwoording van de vraag wat godsdienst is. Dat brengt echter niet mee dat alles wat zich godsdienst noemt ook godsdienst in de zin van artikel 6 Grondwet is. Volgens Franx mag de rechter om te bepalen wat godsdienst is niet onverkort voorbij gaan aan hetgeen hem van theologische zijde wordt aangereikt. Hij leidt vervolgens uit het werk van de bekende godsdienstsocioloog Otto af dat godsdienst wordt gekenmerkt door de ervaring van God ‘… als een ontzagwekkend geheimenis, dat met eerbied vervult, aantrekt en vertrouwen en liefde opwekt’. Volgens Franx mag een godsdienst getoetst worden aan het criterium van een ‘culte sérieux’: niet als godsdienst of als godsdienstuitoefening kan worden gekwalificeerd wat als niet serieus of als die namen niet waardig kan worden beschouwd. Op grond van dit uitgangspunt vindt hij het oordeel van het hof juist.30 Kortom: Advocaat-Generaal Franx destilleert de eis van serieusheid uit een zeker (theologisch) concept van godsdienst en komt vervolgens tot de slotsom dat de activiteiten van de Sint-Walburga kerk niet serieus zijn.
In 2017 oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant dat het ‘pastafarisme’ niet aan de EHRM-eis van voldoende serieusheid voldoet. Pastafaristen pretenderen onder andere te geloven in een vliegend spaghettimonster. De rechter overweegt allereerst dat het pastafarisme is ontstaan als vorm van verzet tegen het onderwijs in Intelligent Design (ID) op Amerikaanse scholen naast het onderwijs in de evolutietheorie. De rechtbank wijst op de opmerking die de oprichter van het pastafarisme Bobby Henderson in een brief aan de Kansas School Board maakt: ‘(…) dat geloof of levensovertuiging niet aangemerkt mag worden als wetenschap’. Ten tweede overweegt de rechter dat het pastafarisme onmiskenbaar een satirisch karakter heeft omdat er in de leer en in de oefening van de godsdienst wordt geparodieerd op bestaande godsdiensten. Dit valt moeilijk te ontkennen. Eenieder die het ‘evangelie’ van het pastafarisme googelt zal het komische karakter van deze beweging niet ontgaan. Overigens stelt de rechter ‘(…) dat satire niet zonder meer uitsluit dat er sprake is van een geloof of levensbeschouwing (…)’.31 In dit geval is het satirisch karakter van de beweging volgens de rechter echter te sterk om te kunnen voldoen aan de eis van voldoende serieusheid. De rechter wijst daarbij onder andere op Opperpiraat ‘Mosey’ die leefde omstreeks het jaar 1800 en die met 10 stenen tabletten de berg afdaalde waarop reeds melding wordt gemaakt van TV en breedband. De rechtbank gaat concreet in op de context waarbinnen deze ‘godsdienst’ is ontstaan en op een aantal algemene beginselen van dit geloof en concludeert dan dat het satirische karakter van dit geloof evident is.32 We kunnen stellen dat de rechter hier ten minste stelt dat de oprichters van het pastafarisme onoprecht zijn geweest. Of de huidige aanhangers ook onoprecht zijn wordt door de rechter in het midden gelaten. De rechter gaat daarop niet in omdat hij de eis van serieusheid conform de EHRM-jurisprudentie begripsmatig uitlegt: hij legt godsdienst uit als een serieus fenomeen. In hoeverre de aanhangers dit niet-serieuze fenomeen vervolgens toch oprecht uitleggen als serieus fenomeen doet dan niet meer ter zake.
Ten slotte sluit het EHRM bepaalde (religieuze) overtuigingen bij voorbaat uit van de werkingssfeer van artikel 9 EVRM. Ten eerste stelt het de eis dat de te beschermen religie of overtuiging niet in strijd mag zijn met de menselijke waardigheid.33 Wellicht dat deze eis uitsluit dat racisme, fascisme, pedofilie etc. als ‘overtuiging’ worden erkend.34 Ten tweede stelt het dat overtuigingen die het secularisme35 niet eerbiedigen niet noodzakelijk vallen onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM:
‘(...) the principle of secularism is certainly one of the fundamental principles of the State which are in harmony with the rule of law and respect for human rights and democracy. An attitude which fails to respect that principle will not necessarily be accepted as being covered by the freedom to manifest one’s religion and will not enjoy the protection of Article 9 of the Convention (...).’36
De twee bovengenoemde eisen van het EHRM aan de reikwijdte van artikel 9 EVRM zijn opmerkelijk. De vraag is waarom het EHRM vindt dat overtuigingen die hieraan niet voldoen buiten de reikwijdte van de godsdienstvrijheid van artikel 9 EVRM moeten vallen. Is dit omdat het EHRM vindt dat dergelijke overtuigingen niet godsdienstig of levensbeschouwelijk (kunnen) zijn? Dat zou vreemd zijn. Waarom zouden bijvoorbeeld godsdiensten met een racistisch karakter (denk aan de Ku Klux Klan?) geen godsdienst kunnen zijn? Waarschijnlijk wil het EHRM met bovengenoemde eisen geen rechten toekennen aan aanhangers van godsdiensten die met hun claim de vrijheden van anderen willen beperken. Als dat de strekking van deze eisen is, dan ligt het echter meer voor de hand om ten aanzien van dergelijke claims de misbruikbepaling opgenomen in artikel 17 EVRM toe te passen. Daarin is bepaald dat een beroep op de in het verdrag genoemde grondrechten nooit gebruikt mag worden om ‘… rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien’.