Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.2:9.4.2 Last-sale principe
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.2
9.4.2 Last-sale principe
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258469:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 128 UDWU kent een bepaalde hiërarchie tussen lid 1 en lid 2. Dit houdt in dat het tweede lid enkel toepassing vindt als het eerste lid niet kan worden toegepast. Het eerste lid gaat er vanuit dat één of meer transacties hebben plaatsgevonden voordat de goederen fysiek het grondgebied van de Europese Unie hebben bereikt. Of zoals de Europese Commissie het verwoordt in het Guidance Document on Customs Valuation:1
"The relevant sale for goods brought into the Union is the sale when crossing the border, i.e., the ultimate sale taking place, in performance of the contract of sale, at that time."
Indien verschillende transacties kwalificeren als verkoop voor uitvoer, moet de laatste verkoop in de goederenketen worden genomen als uitgangspunt voor het bepalen van de douanewaarde. Een domestic sale kon tot 17 september 2020 echter niet worden aangemerkt als verkoop voor uitvoer aldus de Europese Commissie (zie onderdeel 9.4.4).
In het voorbeeld opgenomen in figuur 9.4 werkt dat als volgt uit. Fabrikant X, gevestigd in China, verkoopt op 1 oktober 2020 zijn goederen voor 100 EUR aan handelaar A, gevestigd in Zwitserland. Daaropvolgend worden de goederen voor 150 EUR verkocht aan handelaar B, gevestigd in Noorwegen, op 15 oktober 2020. Tot slot worden de goederen doorverkocht aan handelaar C, gevestigd in Duitsland, op 30 oktober 2020 voor 200 EUR. De goederen worden rechtstreeks vanuit China naar de Europese Unie verscheept. Zowel de verkoop tussen fabrikant X en handelaar A als de verkoop tussen handelaar A en handelaar C kwalificeren als ‘verkoop’ en zijn beide gesloten voordat de goederen fysiek het grondgebied van de Europese Unie hebben bereikt (20 oktober 2020). Aangezien de verkoop van handelaar B aan handelaar C pas daarna heeft plaatsgevonden, kwalificeert deze transactie niet als verkoop voor uitvoer en kan deze transactie niet dienen als grondslag voor het bepalen van de transactiewaarde. De douanewaarde moet onder het DWU worden bepaald op basis van de laatste verkoop. Dat betreft in dit voorbeeld de transactie van 150 EUR zoals gesloten tussen handelaar A en handelaar B. Onder Verordening (EEG) nr. 1224/80 en het CDW had de importeur, met toepassing van het first-sale principe, een keuze tussen de prijs van 100 EUR en 150 EUR (respectievelijk de onderdelen 9.4.6.2 en 9.4.6.3).
Figuur 9.4 – Laatste verkoop voor uitvoer. Standaardpositie artikel 128, lid 1, UDWU.
Door de inperking van de keuzevrijheid kan het voorkomen dat de importeur geen partij is bij de verkoopovereenkomst die ten grondslag ligt aan het bepalen van de transactiewaarde. Desondanks is de importeur gehouden om op grond van artikel 145 UDWU een factuur te overleggen als bewijsstuk met betrekking tot de aangegeven transactiewaarde. Dit brengt in de praktijk problemen met zich, daar partijen niet altijd bereidwillig zullen zijn om de facturen te overleggen. Hiermee maken zij namelijk hun prijsmarge inzichtelijk wat vanuit concurrentieoverwegingen niet wenselijk is. Dit speelt des te meer nu ook geaccepteerde verkooporders als 'verkoop voor uitvoer' worden aangemerkt (onderdeel 9.4.5). Hierdoor vormt potentieel een latere schakel in de goederenketen de grondslag voor de vaststelling van de transactiewaarde terwijl in een (veel) eerdere schakel de goederen ten invoer worden aangegeven.