Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.6.1
2.6.1 Algemeen juridische achtergrond
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS413780:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie over eerbiedigende werking nader par. 2.6.21 en par. 3.4
Hijmans van den Bergh 1928, p. 19.
De Die 1979, p. 259.
De Die 1979, p. 258.
Knigge 1984, p. 113, zie ook onderdeel 2.5.1.
Knigge 1984, p. 87-88.
Knigge 1984, p. 87; zo ook Harkema 1996, p. 623. Een gelijkluidende opvatting kan worden gevonden in Kamerstukken I 1994/95, 23 046, nr. 79d, p. 8.
Van der Beek 1992, p. 42.
Van der Beek 1992, p. 37 en p. 42.
Popelier 1997, p. 594 en Popelier 1999a, p. 32; in vergelijkbare zin Eijlander en Voermans 2000, p. 168.
Haazen 2001, p. 398.
Haazen 2001, p. 399.
Haazen 2001, p. 400.
Dit uitgangspunt wordt gevolgd in de Notitie TWK, p. 5.
Vgl. Voermans 2000, p. 9, Haazen 2001, p. 402, Weggeman 2001, p. 88, Popelier 1997, p. 594 en Lubbers 2005, p. 18.
Door de meeste auteurs wordt uitgestelde werking als een vorm van eerbiedigende werking beschouwd.1 Hierdoor krijgt het begrip in de literatuur niet veel aandacht. Hijmans van den Bergh onderscheidt naast terugwerkende kracht en exclusieve werking nog één andere functie: de eerbiedigende. De eerbiedigende functie bewerkstelligt in zijn opvatting dat feiten onder de oude wet voorgevallen, ook tijdens de heerschappij van de nieuwe wet nog naar de oude wet beoordeeld moeten worden.2 De Die merkt met betrekking tot deze definitie op dat Hijmans van den Bergh onder de noemer ‘eerbiedigende werking’ ten onrechte uitgestelde werking en niet-werken samenvoegt, hetgeen het inzicht niet ten goede komt.3 Met niet-werken bedoelt De Die dat de nieuwe wet op bepaalde gevallen niet van toepassing is.4 Hierna zal blijken dat die situatie overeenkomt met de gangbare opvatting van het begrip ‘eerbiedigende werking’.
Knigge analyseert de theorie van Hijmans van den Bergh en brengt een duidelijk onderscheid aan tussen eerbiedigende werking en uitgestelde werking. Uitgestelde werking noemt hij een tegenpool van terugwerkende kracht. Eerbiedigende werking is een term met beperkte, praktische betekenis.5 Knigge definieert uitgestelde werking als volgt:6
‘[Er wordt] onderscheid gemaakt tussen de periode waarin de wet als maatstaf van waardering geldt en de periode waarin de te waarderen feiten moeten zijn voorgevallen. De eerste periode vangt per definitie aan op het tijdstip waarop de wet in werking treedt. (...) Vangt de tweede periode aan op een later gelegen tijdstip, dan heeft men uitgestelde werking.’
Uitgestelde werking geeft – net als terugwerkende kracht en onmiddellijke werking – het begin van de periode aan ten aanzien waarvan de wet werkt, aldus Knigge. In dit opzicht verschillen deze drie werkingsvarianten van exclusieve en eerbiedigende werking.7
Van der Beek maakt niet zo’n scherp onderscheid tussen eerbiedigende werking en uitgestelde werking als Knigge, en rekent zowel eerbiedigende werking als uitgestelde werking tot de werkingsregels. Van uitgestelde werking is in zijn opvatting sprake indien:8
‘de nieuwe wet – in tegenstelling tot hetgeen eerbiediging van het oude recht te zien geeft – wèl toepasselijk [wordt] op de toestand die bestond bij haar inwerkingtreding, maar niet direct: de werking van de nieuwe wet neemt pas een aanvang enige tijd nadien.’
Het kenmerkende verschil met eerbiedigende werking is dat de nieuwe wet in beginsel wel degelijk op de bij de inwerkingtreding bestaande rechtstoestand van toepassing kan zijn, met dien verstande dat dit pas na enige tijd kan geschieden. In geval van eerbiedigende werking blijft het oude recht van toepassing op een rechtstoestand zoals die bij inwerkingtreding bestond.9
Knigge en Van der Beek geven in hun definitie van uitgestelde werking duidelijk aan dat de werking van de wet enige tijd na de inwerkingtreding aanvangt. Popelier legt in haar definitie daarentegen de nadruk op de toepassing ten aanzien van bepaalde feiten. Zij definieert uitgestelde werking als volgt:10
‘Een norm heeft uitgestelde werking, wanneer hij de oude regeling slechts voorlopig nog van toepassing laat op bepaalde rechtsfeiten, die nochtans dateren van na zijn inwerkingtreding. Na verloop van tijd valt ook deze categorie van rechtsfeiten onder de nieuwe regeling.’
Van eerbiedigende werking is in haar opvatting sprake als de oude norm van toepassing blijft op bepaalde rechtsfeiten die dateren van na de inwerkingtreding. Opvallend is dat Popelier vereist dat de nieuwe regel niet van toepassing is op ná het inwerkingtredingsmoment voorgevallen feiten. Haazen merkt op dat deze Belgische insteek waarschijnlijk juister is, maar gaat in zijn definitie van eerbiedigende werking toch ervan uit dat de nieuwe regel niet werkt jegens óp het inwerkingtredingsmoment bestaande rechtstoestanden. Eerbiedigende werking betekent volgens hem dat de wettelijke bepaling weliswaar vanaf de inwerkingtreding geldt, maar niet zal worden toegepast op een ten tijde van de inwerkingtreding reeds bestaande rechtstoestand.11 Met betrekking tot uitgestelde werking acht Haazen het wel mogelijk dat de nieuwe wet nog niet werkt voor ná de inwerkingtreding ontstane rechtstoestanden. Hij beschouwt uitgestelde werking derhalve niet als een vorm van eerbiedigende werking, namelijk eerbiediging voor een bepaalde periode. Uitgestelde werking is volgens Haazen:12
‘de overgangsrechtelijke variant waarbij een wettelijke bepaling weliswaar vanaf de inwerkingtreding geldt, maar nog niet wordt toegepast op een ten tijde van de inwerkingtreding reeds bestaande of na inwerkingtreding ontstane rechtstoestand. Bij uitgestelde werking is de wettelijke bepaling dus wel reeds in werking getreden en vanaf deze inwerkingtreding geldt zij. Maar zij wordt nog niet toegepast.’
Evenals hij bij onmiddellijke werking deed, maakt Haazen onderscheid tussen verschillende varianten van uitgestelde werking. Indien de nieuwe regel alleen wordt toegepast op toekomstige rechtstoestanden, ontstaan na ommekomst van het uitstel, is sprake van uitgestelde werking zonder onmiddellijke werking. Als de regel na ommekomst van het uitstel wordt toegepast op rechtstoestanden ontstaan vóór de inwerkingtreding van de regel, is sprake van uitgestelde werking met terugwerkende kracht en bij toepassing op ná de inwerkingtreding ontstane rechtstoestanden, is sprake van uitgestelde werking met onmiddellijke werking.13
In de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt uitgestelde werking wel weer als een vorm van eerbiedigende werking beschouwd.14 Aanwijzing 169 vermeldt:
‘Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of verhoudingen.’
Naast het onderscheid tussen uitgestelde werking en eerbiedigende werking komt in de literatuur ook het onderscheid met uitgestelde inwerkingtreding aan bod.15 Popelier benadrukt dat uitgestelde inwerkingtreding geen vorm van uitgestelde werking is, omdat het inwerkingtredingsmoment geldt als ijkpunt voor de werkingsregel. Van uitgestelde inwerkingtreding is sprake indien de periode tussen bekendmaking en inwerkingtreding meer dan twee maanden beloopt (zie par. 2.2.1).