Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/4.3.1
4.3.1 Verband tussen grond voor vernietiging en schade
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284655:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
PG Awb II, p. 480.
Zie hierover o.a. Van der Veen 2011, p. 298-299.
Vgl. bijv. Schueler 2005a, p. 178.
Bijv. CRvB 14 december 1995, AW 1994/189, JB 1996/34 (Binnenlandse zaken/S). We zullen later overigens zien dat ook de centraalstelling van het besluit zelf niet steeds werkt.
Zie bijv. Van Ravels 2015, p. 696.
Zie bijv. ABRvS 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7600, JB 2007/150 (X./Y.) waarin wordt vereist dat er causaal verband moet bestaan tussen de schade en het gebrek dat aan het besluit kleeft.
HR 29 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1116, NJ 1994/108 (Blok/VARA).
Hier ziet men dus ook weer het belang van de identificatie van het precieze normschendende gedrag voor de causaliteitstoets. Zie daarover hiervoor §3.7.
Interessant is in dit verband ook HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, m.nt. S.D. Lindenbergh (Schietincident Alphen a/d Rijn), waarin het ging om een ten onrechte verleende wapenvergunning aan Tristan van der Vlis die met dat vergunde wapen vervolgens mensen vermoordde en verwondde in een winkelcentrum te Alphen aan de Rijn. De Staat had zich o.a. op het standpunt gesteld dat het csqn-verband ontbrak, omdat Van der Vlis ook op een andere (illegale) manier aan het vuurwapen zou zijn gekomen en de schade dan ook zou zijn ontstaan. De Hoge Raad oordeelt dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat Van der Vlis zich ook daadwerkelijk op illegale wijze de wapens zou hebben verschaft. Het door de Hoge Raad voorgestane principe is hier weer hetzelfde als in Blok/VARA: het jegens die slachtoffers onrechtmatige handelen schuilt in de onterechte verlening van een vergunning. Die vergunning denkt men daarom weg. Zou echter wél komen vast te staan dat Van der Vlis zich de gebruikte wapens op illegale wijze zou hebben verschaft, dan zou het csqn-verband hebben ontbroken. De onjuiste vergunningverlening zou dan immers geen voorwaarde zijn geweest voor het ontstaan van de schade.
138. De minister opperde tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de Awb – in lijn met de hiervoor in §3.5.1 besproken leer van Demogue-Besier – dat er csqn-verband moet bestaan tussen de ‘grond voor vernietiging van het besluit’ en de schade.1 Met deze toets probeerde de minister tegemoet te komen aan het probleem dat het onredelijk voorkomt het overheidslichaam aansprakelijk te houden voor schade die ook zou zijn ontstaan als het bestuursorgaan een geldig besluit zou hebben genomen. De schade lijkt dan niet in verband te staan met de bestuursrechtelijke normschending. Door een band te vereisen tussen de grond voor vernietiging en de schade hoopt het leerstuk de gevallen eruit te filteren waarin ‘de normschending’ niet werkelijk tot schade heeft geleid, maar daarvan meer een ‘bijproduct’ is.2
139. Deze benadering werkt echter lang niet altijd. In de kern schuilt het probleem erin dat de ‘grond voor vernietiging’ niet steeds een duidelijke gedraging of gebeurtenis inhoudt die tot een bepaalde schade heeft geleid. Dat een verleende milieuvergunning bijvoorbeeld vanwege de onevenredige gevolgen voor de buren wordt vernietigd, geldt als zodanig niet als feitelijke ‘oorzaak’ van vertragingsschade van de aanvrager: de onevenredigheid is immers geen gedraging of gebeurtenis. De oorzaak van de schade schuilt in het nalaten van het bestuursorgaan een bruikbare vergunning te verlenen.3 De bestuursrechter die op zoek ging naar het verband tussen de grond voor vernietiging en de schade, raakte met het enkel wegdenken van de vernietigingsgrond dan ook weleens in de knoop. De rechter koos er vervolgens voor om toch het besluit zelf tot uitgangspunt van de causaliteitsvergelijking te maken.4
140. In de literatuur5 en de rechtspraak6 wordt nog weleens het arrest Blok/Vara7 aangehaald ter civielrechtelijke onderbouwing van deze leer. Het ging in die casus om Blok, organisator van cursussen Frans, Spaans en Engels. Tijdens een uitzending van de VARA die was gewijd aan de slechte kwaliteit van Bloks cursussen wordt onder andere onrechtmatige kritiek geleverd op de cursussen Frans. Het hof oordeelt dat met het wegdenken van de kritiek op de cursus Frans de schade hetzelfde zou zijn geweest, omdat de resterende kritiek op de andere cursussen diezelfde schade zou hebben veroorzaakt. Blok komt hiertegen in cassatie op. Volgens hem moet namelijk de gehele uitzending in plaats van enkel de uitingen over de cursus Frans weggedacht worden. De Hoge Raad laat ’s hofs oordeel echter in stand.
141. Uit de goedkeuring door de Hoge Raad van het wegdenken van enkel de kritiek op de cursus Frans in plaats van de gehele uitzending wordt afgeleid dat gezocht mag worden naar het verband tussen de ‘grond voor vernietiging’ en schade. Dit is volgens mij een onjuiste uitleg van het arrest. De uitkomst is volgens mij begrijpelijk omdat het hof enkel de kritiek op de cursussen Frans, en niet de uitzending als zodanig,8 als het onrechtmatig handelen had gekwalificeerd. Daarom moet alleen die kritiek weggedacht worden en getoetst worden in welke vermogensrechtelijke situatie Blok dan verkeerd zou hebben. Die situatie was vanwege de (rechtmatige) kritiek op die andere cursussen hetzelfde geweest. Die kritiek op de cursus Frans is dus geen voorwaarde voor de schade.9 Het arrest biedt volgens mij dan ook geen steun voor de opvatting dat men op zoek moet naar het verband tussen de ‘grond voor vernietiging’ en de schade. Integendeel, het arrest laat zien dat de csqn-toets in het algemene aansprakelijkheidsrecht bij een onrechtmatig doen een wegdenktoets is en dat bij de uitvoering van die toets het precieze verweten gedrag van groot gewicht is (zie hiervoor §3.3 en 3.5-3.7).