Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.8.1:2.8.1 Advies van de Raad van State en beraadslagingen
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.8.1
2.8.1 Advies van de Raad van State en beraadslagingen
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590931:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
102. Op de toets van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid van het driemanschap werd gedurende dat proces aanzienlijke kritiek geuit. De Raad van State, die in 1963 – na Köster, maar vóór Waterwingebied Leeuwarden – advies uitbracht, meende dat deze formule “niet meer [kan bieden] dan de steun van het drijfzand”.1 Ook Kösters voorstel diende volgens de Raad van State niet overgenomen te worden: beter zou zijn het ontwerp voor art. 6:98 BW te schrappen en de rechter de problematiek in het causaliteitsvereiste van art. 6:74 en 6:162 BW op te laten lossen:
“De toerekening ‘naar redelijkheid’ brengt niets meer dan wanneer het bij het ‘dientengevolge’ uit de artikelen [de ontwerpen voor art. 6:74 BW en 6:162 BW] blijft; en de toevoeging van de verplichting te letten ‘op alle omstandigheden’ is (…) nietszeggend.”2
Waar dus het driemanschap de toetsing aan waarschijnlijkheid heel bewust, en daarmee de meeste auteurs volgend, uit het causaliteitsvereiste had gehaald, meende de Raad van State nu dat beter was hiervan weer een causaliteitsprobleem te maken.
103. Ook de vaste Commissie voor Justitie was niet door de voorstellen van het driemanschap overtuigd. In 1971 bracht deze commissie – na kennisgenomen te hebben van Köster, Bloembergen en Waterwingebied Leeuwarden – verslag uit. Volgens de commissie was
“(…) ‘voorzienbaarheid’ een betere maatstaf dan de ‘toerekening naar redelijkheid’ (…) De ‘voorzienbaarheid’ zegt immers duidelijk, dat het hier gaat om een verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de daaruit voortvloeiende schade, terwijl bovendien ook bij déze maatstaf de redelijkheid een belangrijke rol speelt: het bedoelde verband wordt nl. aanwezig geacht wanneer ten tijde van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, de schade redelijkerwijs was te voorzien.”3
De commissie wees niet alleen Kösters voorstel af; zij meende bovendien dat het driemanschapscriterium (“met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg van deze gebeurtenis was te voorzien”) vervangen diende te worden door het criterium van de Hoge Raad (“het redelijkerwijs te verwachten gevolg”).4 Waar het driemanschap zich had gerealiseerd dat soms ook een relatief kleine kans voldoende kan zijn om de pleger van een onrechtmatige daad voor die schade aansprakelijk te houden en de vereiste mate van waarschijnlijkheid kan afhangen van de omstandigheden van het geval, wilde de commissie aldus weer terug naar de formule van de Hoge Raad. Ook meende de commissie, anders dan het driemanschap, dat de voorzienbaarheidseis alleen de schade zou moeten betreffen en niet het bedrag ervan “omdat anders de aansprakelijkheidsomvang veel te veel zou worden beperkt”.5
Bij het geven van het tweede gedeelte van het voorlopig verslag in 1975 was de commissie echter van gedachten veranderd. De commissie vroeg zich nu af of de toets van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid uit het driemanschapsontwerp de rechter niet te veel ruimte bood om, zonder voldoende motivering, een zaak te beslissen overeenkomstig de maatschappelijke inzichten waarover hij beschikt, terwijl het toerekenen naar redelijkheid het voordeel heeft dat de rechter verplicht is zijn beslissing concreet te motiveren.6