Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.7.1
11.7.1 Fundamentele vragen en enkele kanttekeningen
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577547:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zippro 2006, p. 607-608. Zie het adviescommentaar van de Nederlandse Orde van Advocaten op het Groenboek, COM/2005/672 def. (www.advocatenorde.nl/wetenregelgeving/adviezen.asp, nr. 465, p. 2).
Van Dam 2006, nr. 1217, p. 345. Zie over de privaatrechtelijke handhaving van gemeenschapsrecht HvJ EG 17 september 2002, zaak C-253/00 (Mufioz/Frumar), Jur. 2002, p.1-7289, NJ 2003, 702, m.nt. MRM. Het arrest is besproken in § 7.5 (harmonisatie van het recht betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid).
Van Dam 2006, nr. 1217, p. 345.
Zippro 2005a, p. 203.
Zippro 2006, p. 607.
Zie voor een dergelijk standpunt Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 99.
Zie bijvoorbeeld Richtlijn 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, PbEG 1998, L 166/51 (zie de art. 3:305a, 3:305c, 6:240 en 6:241 BW); Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten, PbEG 1997, L 144/19 (zie de art. 7:7, 7:46a-46j BW) en Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, PbEU 2004, L 157/45, PbEU 2004, L 195/16 (art. 1019-1019i Rv). Hoes-Weishut, Lunsingh Scheurleer & Speyart 2008, p. 148-149. Zie over deze communautaire eenheid en nationale verscheidenheid mijn bijdrage in BWKJ 21, Zippro 2005a, p. 181-203.
Het Groenboek en het daarop volgende Witboek blijven de fundamentele vraag oproepen waarom de verkrijging van schadevergoeding naar aanleiding van inbreuken op mededingingsregels wél door middel van speciale regels behoort te worden gestimuleerd en de verkrijging van schadevergoeding vanwege andere schendingen van communautaire normen niet. Te denken valt bijvoorbeeld aan communautaire milieunormen en aanbestedingsnormen waar geen speciale regels voor worden ontworpen, terwijl ze wel van belang zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag.1 Een belangrijke vraag is dan ook hoe de speciale regels voor de verkrijging van schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht (zoals voorgesteld in het Groenboek en het Witboek) zich verhouden tot de privaatrechtelijke handhaving van het gemeenschapsrecht in het algemeen.2 Hierbij doet zich de vraag voor of de voorstellen in het Groenboek en het Witboek een eerste stap vormen in een bredere aanpak van de privaatrechtelijke handhaving van het gemeenschapsrecht, of dat het een ontwikkeling op zichzelf is die losstaat van de handhaving van andere deelgebieden van het gemeenschapsrecht.3 In het eerste geval zal dat leiden tot meer eenheid in het Europees aansprakelijkheidsrecht.4 In het tweede geval zal dat leiden tot minder eenheid en meer verscheidenheid in het Europees aansprakelijkheidsrecht.
Naast andere schendingen van communautaire normen kan ook worden gedacht aan andere schendingen van nationale normen.5 Zijn de belangen van de gelaedeerden van een schending van het mededingingsrecht belangrijker dan de belangen van de geleaedeerden van andere gedragingen die naar Nederlands recht onrechtmatig zijn? Is bijvoorbeeld een schending van een verkeers- of veiligheidsnorm in het nationale recht niet ernstiger dan een schending van de mededingingsregels? Daarnaast kan de vraag worden gesteld of de bestaande instrumenten van privaatrecht niet reeds voldoende mogelijkheden bieden om het mededingingsrecht met behulp van privaatrechtelijke technieken te handhaven. Tevens kan verdedigd worden dat het bij privaatrechtelijke handhaving gaat om private belangen. Dat tevens het algemeen belang kan zijn gediend, is slechts een bijkomend voordeel maar geen doel op zich. In die visie verdienen wettelijke maatregelen, die tot doel hebben de privaatrechtelijke handhaving te stimuleren, geen steun.6 Vanuit de coherentie van het interne burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht bezien, is het door middel van richtlijnen harmoniseren van een bepaald type vordering ook niet ideaal. Zo is als gevolg van de omzetting van diverse richtlijnen reeds een lappendeken van nicheregelingen ontstaan die op Europees niveau geharmoniseerd zijn, maar afbreuk doen aan de coherentie van het interne burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht.7