Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.4.1
I.3.3.4.1 Vermächtnis
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622738:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Indien de persoon die de keuze mag maken door erflater niet expliciet genoemd wordt, is aan te nemen dat deze bevoegdheid aan de bezwaarde toekomt. Halding-Hoppenheit 2003, p. 75.
Frey 1999, p 23.
Vgl. hiermee het naar Nederlands recht geoorloofde legaat met keuzemogelijkheid. Zie Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771. Zie over § 2151 BGB als uitzondering op § 2065 II BGB: Sens 1990, p. 57; Wagner 1997, p. 50-51; Frey 1999, p. 23-24; Halding-Hoppenheit 2003, p. 74-76; Hausmann/Hohloch 2010, p. 403.
Sens 1990, p. 29-35; Hausmann/Hohloch 2010, p. 403. Sens gaat in haar onderzoek in op de belangrijke vraag waarom er een onderscheid is ten aanzien van Drittbestimmung bij die Erbeinsetzung en Drittbestimmungen bij das (Universal)Vermächtnis. Met een Universalvermächtnis kan namelijk het gehele vermogen worden gelegateerd. Een Universalvermächtnis houdt overigens niet een erfstelling in. Het moet dan ook niet worden verward met de algemene legataris van het Belgische recht, die saisine kan genieten.
Frey 1999, p. 25-26; Halding-Hoppenheit 2003, p. 78.
Brox/Walker 2010, nr. 442, die hierbij opmerkt dat: ‘Die »mehreren Gegenstände( können nach der Gattung (»sechs Maria-Theresien-Taler oder sechs Kennedy-Gedächtnismünzen() oder stückweise (»eine meiner antiken Vasen() bestimmt, aus dem Nachlass oder auch anderweitig zu verschaffen sein.’
Wagner 1997, p. 52; Halding-Hoppenheit 2003, p. 78.
§ 1940 BGB luidt: ‘Der Erblasser kann durch Testament den Erben oder einen Vermächtnisnehmer zu einer Leistung verpflichten, ohne einem anderen ein Recht auf die Leistung zuzuwenden (curs. NB).’
A) Person des Vermächtnisnehmers
§ 2151 BGB kent als opschrift ‘Bestimmungsrecht des Beschwerten oder eines Dritten bei mehreren Bedachten’ en bepaalt dat:
‘I. Der Erblasser kann mehrere mit einem Vermächtnis in der Weise bedenken, dass der Beschwerte oder ein Dritter zu bestimmen hat, wer von den mehreren das Vermächtnis erhalten soll.
Die Bestimmung des Beschwerten erfolgt durch Erklärung gegenüber demjenigen, welcher das Vermächtnis erhalten soll; die Bestimmung des Dritten erfolgt durch Erklärung gegenüber dem Beschwerten.
Kann der Beschwerte oder der Dritte die Bestimmung nicht treffen, so sind die Bedachten Gesamtgläubiger. Das Gleiche gilt, wenn das Nachlassgericht dem Beschwerten oder dem Dritten auf Antrag eines der Beteiligten eine Frist zur Abgabe der Erklärung bestimmt hat und die Frist verstrichen ist, sofern nicht vorher die Erklärung erfolgt. Der Bedachte, der das Vermächtnis erhält, ist im Zweifel nicht zur Teilung verpflichtet (curs. NB).’
Dit artikel laat toe dat de erflater het aan een ander, namelijk de bezwaarde (dat wil zeggen degene(n) op wie het legaat drukt) of een derde,1 overlaat om te bepalen wie als legataris optreedt. Een volledige keuzevrijheid heeft deze bezwaarde resp. derde hierbij echter niet.
‘Voraussetzung ist hierbei, daβ der Kreis der für die Auswahl bestimmten Personen in der letztwilligen Verfügung so weit bestimmt ist, daβ über die Zugehörigkeit zu diesem Kreis keine Zweifel bestehen können. Der Kreis der Personen muβ insofern ‘beschränkt und leicht überschaubar’ sein, denn es ist nach Ansicht von Rechtsprechung und Literatur nicht im Sinne des Erblassers, einem weiten Personenkreis Gesamtgläubigerrechte nach § 2151 Abs. 3 BGB einzuräumen (curs. NB).’2
De erflater kan (in afwijking van § 2065 II BGB) een legaat met keuzeverlening ten aanzien van de legataris in zijn uiterste wil opnemen. Hierbij is het van belang dat de erflater de keuze beperkt door een afgebakende, ofwel meer specifiek: een bepaalde en overzichtelijke groep van potentiële legatarissen aan te wijzen, waaruit de keuze door de bezwaarde resp. derde kan worden gemaakt.3
Niets belet erflater overigens om alle goederen van zijn nalatenschap op deze manier (dat wil zeggen met keuzeverlening ten aanzien van de verkrijgers) te legateren. Het universeel legaat (Universalvermächtnis) met keuzeverlening is, anders gezegd, toegestaan.4
§ 2152 BGB (‘Wahlweise Bedachte’) heeft eveneens betrekking op het door een ander dan erflater laten bepalen van de legataris:
‘Hat der Erblasser mehrere mit einem Vermächtnis in der Weise bedacht, dass nur der eine oder der andere das Vermächtnis erhalten soll, so ist anzunehmen, dass der Beschwerte bestimmen soll, wer von ihnen das Vermächtnis erhält (curs. NB).’
Ook ten aanzien van hetgeen wordt verkregen (het legaat, ofwel: het object van de verkrijging), is het mogelijk om de hulp van een ander in te schakelen. De §§ 2153 t/m 2156 BGB, die overigens te combineren zijn met het bepaalde in § 2151 BGB,5 handelen hierover.
B) Vermächtnisgegenstandes
§ 2153 BGB maakt het mogelijk dat een ander (de bezwaarde resp. derde) het legaat onder de legatarissen verdeelt:
‘I. Der Erblasser kann mehrere mit einem Vermächtnis in der Weise bedenken, dass der Beschwerte oder ein Dritter zu bestimmen hat, was jeder von dem vermachten Gegenstand erhalten soll. Die Bestimmung erfolgt nach § 2151 Abs. 2.
II. Kann der Beschwerte oder der Dritte die Bestimmung nicht treffen, so sind die Bedachten zu gleichen Teilen berechtigt. Die Vorschrift des § 2151 Abs. 3 Satz 2 findet entsprechende Anwendung (curs. NB).’
De omvang van de verkrijging is reeds door de erflater zelf bepaald. In wezen houdt § 2153 BGB dan ook geen uitzondering op § 2065 II BGB in. Slechts ‘die Bestimmung der Anteile’ wordt aan een ander overgelaten.
In § 2154 BGB is das Wahlvermächtnis terug te vinden:
‘I. Der Erblasser kann ein Vermächtnis in der Art anordnen, dass der Bedachte von mehreren Gegenständen nur den einen oder den anderen erhalten soll. Ist in einem solchen Falle die Wahl einem Dritten übertragen, so erfolgt sie durch Erklärung gegenüber dem Beschwerten.
II. Kann der Dritte die Wahl nicht treffen, so geht das Wahlrecht auf den Beschwerten über. Die Vorschrift des § 2151 Abs. 3 Satz 2 findet entsprechende Anwendung (curs. NB).’
Aan de legataris, derde of bezwaarde kan het recht worden toegekend om uit meerdere door erflater aangewezen goederen een goed te kiezen.6 De legataris, derde of bezwaarde bepaalt met zijn keuze de omvang van de verkrijging.
Een variant hierop is te vinden in § 2155 BGB, das Gattungsvermächtnis, waarin erflater volstaat met het bepalen van de aard van het goed (zoals ‘een auto’ of ‘wijnflessen’) en de keuze voor het concrete goed aan de bezwaarde, begunstigde of een derde overlaat:
‘I. Hat der Erblasser die vermachte Sache nur der Gattung nach bestimmt, so ist eine den Verhältnissen des Bedachten entsprechende Sache zu leisten.
II. Ist die Bestimmung der Sache dem Bedachten oder einem Dritten übertragen, so finden die nach § 2154 für die Wahl des Dritten geltenden Vorschriften Anwendung.
III. Entspricht die von dem Bedachten oder dem Dritten getroffene Bestimmung den Verhältnissen des Bedachten offenbar nicht, so hat der Beschwerte so zu leisten, wie wenn der Erblasser über die Bestimmung der Sache keine Anordnung getroffen hätte (curs. NB).’
Das Zweckvermächtnis, terug te vinden in § 2156 BGB, geeft erflater beduidend meer vrijheid voor Drittbestimmung bij het legaat. Erflater hoeft namelijk enkel het doel van het legaat te bepalen (bijvoorbeeld: ‘de opleiding van mijn zoon dient gefinancierd te worden uit mijn nalatenschap’):
‘Der Erblasser kann bei der Anordnung eines Vermächtnisses, dessen Zweck er bestimmt hat, die Bestimmung der Leistung dem billigen Ermessen des Beschwerten oder eines Dritten überlassen. Auf ein solches Vermächtnis finden die Vorschriften der § § 315 bis 319 entsprechende Anwendung (curs. NB).’
Heeft de erflater het doel van het legaat bepaald, dan kan het bepalen van de prestatie aan het redelijk oordeel van de bezwaarde of een derde worden overgelaten. Zoals hiervoor gezegd, kan dit artikel gecombineerd worden met § 2151 BGB, hetgeen de flexibiliteit van dit legaat kan vergroten.
In de bovenstaande uitzonderingen op het Drittbestimmungsverbot is nergens sprake van een volledige bevoegdheidsoverdracht om een ander het legaat in alle vrijheid (naar eigen goeddunken) te laten bepalen. Steeds wordt van erflater verlangd dat hij ten aanzien van de verkrijging ook zelf iets bepaalt. Het bepaaldheidsvereiste speelt hier zodoende een rol. Een gedachte hierbij is voorts dat een ongebreidelde bevoegdheidsoverdracht een te zware belasting zou zijn voor de erfgenamen op wie het legaat drukt. Zij moeten de omvang van de schulden kunnen inschatten, alvorens zij beslissen of zij de nalatenschap al dan niet wensen te aanvaarden.7
Anders is het bij de last. De last roept slechts een verplichting in het leven, waarvan geen nakoming kan worden gevorderd (§ 1940 BGB).8 Er is dan ook geen sprake van een schuld van de nalatenschap en voor erfgenamen die de omvang van de schulden willen inschatten, is de last dan ook van ondergeschikte betekenis. Krijgt de last hierdoor op delegatievlak ruim baan?