Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/7.2.1
7.2.1 Grondtrekken van het Duitse AG-Recht
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387037:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
M. Hoffmann-Becking et al. (reds.), Münchener Handbuch des Gesellschaftsrechts – Band 4: Aktiengesellschaft, 3e druk, München: C.H. Beck 2007, §1 nrs. 12-14 (Hoffmann-Becking). Zie ook W. Goette & M. Habersack (reds.), Münchener Kommentar zum Aktiengesetz, München: C.H. Beck 2016, digitaal geraadpleegd via
Zie voor een overzicht van de initiatieven op EU-niveau tot 2011 M. Habersack & D.A. Verse, Europäisches Gesellschaftsrecht, 4e druk, München: C.H. Beck 2011, p. 62-83. Zie voor een overzicht van de wijzigingen van het AktG in de periode tussen 1965 en 1998 MünchKomm AktG, Einleitung nr. 33 (Habersack).
De thans geldende regelingen zijn het Mitbestimmungsgesetz in de versie van 1976, het Montanmitbestimmungsgesetz uit 1951, het Mitbestimmungsergänzungsgesetz uit 1956 en het Drittelbeteiligungsgesetz uit 2004 (vervanger van het Betriebsverfahrensgesetz 1952).
Hierover K.J. Hopt, ‘Labor representation on corporate boards; Impacts and problems for corporate governance and economic integration in Europe, Int’l Rev. of Law & Economics 1994, p. 389-441. Zie over de ontwikkeling van het Duitse medezeggenschapsmodel na de Tweede Wereldoorlog voorts Milhaupt/Pistor 2010, p. 75-77.
Ook voor AG’s waarop het MittbestG niet van toepassing is, gelden wettelijke regels ten aanzien van het aantal leden van de Aufsichtsrat. §95 AktG schrijft een minimum aantal van drie leden voor de Aufsichtsrat voor. Ook moet het aantal leden in elk geval deelbaar zijn door drie. Tot slot gelden op grond van §95 AktG bepaalde maxima voor het aantal leden van de Aufsichtsrat afhankelijk van het maatschappelijk kapitaal. Voor AG’s met een maatschappelijk kapitaal van minder dan EUR 1,5 miljoen geldt een maximum aantal leden van de Aufsichtsrat van negen, bij AG’s met een maatschappelijk kapitaal van meer dan EUR 10 miljoen geldt een maximum van 21.
Zie bijvoorbeeld Handbuch börsennotierte AG 2014, §2 nr. 12 (Marsch-Barner): “Durch die zwingend vorgeschriebene Besetzung der Aufsichtsräte mit Arbeitnehmervertretern hat der Aufsichtsrat neben den Aktionärsinteressen auch die sozialen Belange der Belegschaft zu wahren. Diese nehmen, vor allem bei paritätischer Zusammensetzung des Aufsichtsrates, mitunter sogar den gröûten Teil der Sitzungszeit in Anspruch. Die Mitbestimmung kann dazu führen, dass wirtschaftlich zweckmäûige oder sogar notwendige Entscheidungen, die sich negative auf die im Unternehmen Beschäftigten auswirken, aufgeschoben, unterlassen oder durch Kompromisse verwässert werden.”
In deze zin U. Hüffer, Aktiengesetz, Beck’sche kurz Kommentare nr. 53, twaalfde druk, bewerkt door J. Koch, München: C.H. Beck 2016, §119 nr. 1.
§119 lid 1 AktG verwijst naar “im Gesetz oder in der Satzung ausdrücklich bestimmten Fallen”.
MünchKomm AktG §119 nr. 9 (Kubis): “Die eigentliche Bedeutung des Abs. 1 liegt demzufolge in der negativen Kompetenzabgrenzung. Danach gibt es auûerhalb der in Gesetz oder Satzung ausdrücklich genannten Fälle grundsätzlich keine Hauptversammlungszuständigkeit, insbesondere keine subsidiäre Zuständigkeit. Auch eine Kompetenz zur Entscheidung der Hauptversammlung über zweifelhafte Zuständigkeiten (sog. “Kompetenz-Kompetenz”) ist nicht anzuerkennen.”
Zie Hüffer/Koch 2016, §119 nr. 10 en MünchHdb AG 2007, §34 nr. 5 (Semler): “Satzungsmäûige Kompetenzzuweisungen gemäû §119 Abs. 1 AktG sind nur in sehr engern Rahmen möglich und köntten keinesfalls dazu führen dass die Geschäftsführungsbefugnis des Vorstandes beschnitten wird.”
Hüffer/Koch 2016, §119 nrs. 16-17.
BGH 26 april 2004, NJW 2004, 1860 (Gelatine). Zie over deze uitspraak H. Fleischer, ‘Ungeschriebene Hauptversammlungszuständigkeiten im Aktienrecht: Von “Holzmüller” zu “Gelatine”’, NJW 2004, p. 2335-2339. Zie voor een Nederlands commentaar A.G.H. Klaassen, De Gelatine-uitspraak: het verlossende antwoord op de Holzmüller-problematiek?’, Ondernemingsrecht 2004, 234.
Zie voor een beknopt overzicht E. Waclawik, Prozessführung im Gesellschaftsrecht – Corporate Litigation, 2e druk, NJW Praxis serie nr. 83, München: C.H. Beck 2013, p. 85-87.
MünchHdb AG 2007, §17 nrs. 3-4 (Wiesner).
MünchHdb AG 2007, §17 nr. 5 (Wiesner), Hüffer/Koch 2016, §53a nrs. 16-17.
MünchHdb AG 2007, §17 nr. 6 (Wiesner).
Kernachtig verwoord in MünckKomm AktG, §135 nr. 143 (Schröer): “Für den Aktionär, auch den Minderheitsaktionär, besteht nach ganz überwiegender Ansicht in Rechtsprechung und Literatur eine Treupflicht sowohl gegenüber der Gesellschaft als auch gegenüber den Mitaktionären. Daher hat der Aktionär auch bei Abstimmungen in einem gewissen Umfang die Interessen der Gesellschaft zu berücksichtigen. Dabei hängt allerdings die Reichweite der Pflicht zur Rücksichtnahme von dem Maû des Einflusses ab, den der einzelne Aktionär nehmen kann. Infolgedessen stellt sich für Minderheitsaktionäre die Frage nach der Bindung des Stimmverhaltens auf Grund von Treupflichten in der Regel nur, wenn sie allein oder gemeinsam mit anderen, gleichgerichtet handelnden Aktionären die Hauptversammlungsmehrheit oder ein Quorum zur Durchsetzung bestimmter Minderheitenrechte oder zur Verhinderung bestimmter Beschlüsse erreichen. Teilweise wird die Treubindung allerdings verneint oder eingeschränkt, wenn eine solche Position nur zufällig erreicht wird, weil mehrere Aktionäre ohne Koordination untereinander gleichgerichtet abstimmen (“Zufallssperrminorität”). Hier fehle es an einem gemeinsamen Willen, bei dessen Bildung die Treubindung beachtet werden könne, sondern es handele sich um im Ergebnis übereinstimmende selbstständige Entscheidungen. Es erscheint jedoch fraglich, ob die Treupflichtwidrigkeit selbst tatsächlich von der Zahl der Stimmen bzw. einer Koordinierung einer bestimmten Anzahl von Stimmen abhängig ist. Die Treupflicht besteht für jeden Aktionär, von der Zahl der Stimmen wird nur die Kausalität zwischen Treuwidrigkeit und Schadensverursachung beeinflusst.”
De norm van het onder eigen verantwoordelijkheid leiding geven aan de vennootschap door de Vorstand gaat terug op het AktG 1937. De daaraan voorafgaande wettelijke regeling van de AG in het HGB ging nog uit van het model waarin de Generalversammlung (voorloper van de Hauptversammlung) nog de uiteindelijke besslissingsbevoegdheid had over de Leitung. Zie K.J. Hopt & H. Wiedemann (reds.), Groûkommentar AktG, 4e Druk: Berlin: De Gruyter 2003, §76 nr. 5 (Kort).
In deze zin MünchHdb AG 2007, §19 nr. 14 (Wiesner) en MünchKomm AktG §76 nrs. 14-17 (Spindler).
Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 8.
Ook op dit punt is de in §119 lid 1 AktG voorziene mogelijkheid van een nadere statutaire regeling praktisch gezien weinig relevant gelet op het dwingendrechtelijk karakter van de bevoegdheidsverdeling in het AktG. Zie MünchHdb AG 2007, §34 nr. 5 (Semler).
Hüffer/Koch 2016, §119 nr. 11-13.
In beschrijvingen over de bevoegdheidsverdeling tussen Vorstand en Aufsichtsrat in Duitse AG’s wordt in de Nederlandse literatuur wel eens gesproken over het “Führerprinzip”. Zie bijvoorbeeld Bloembergen 1943, p. 99-106, M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Boekbespreking: concernbeleid en aansprakelijkheid (mr. S.M. Bartman), WPNR 1990 (5959), p. 291 en Van der Schee 2011, p. 206. Deze aanduiding, door de moderne schrijvers voorgesteld als Duitse equivalent van het begrip bestuursprimaat, is niet zuiver. Het Führerprinzip was een overkoepelend begrip binnen het nationaal-socialistisch gedachtegoed dat strekte tot de concentratie van alle (staats)macht bij ÉÉn persoon. Over de vraag in hoeverre de bevoegdheidsverdeling tussen Vorstand en Hauptversammlung zoals neergelegd in het AktG 1937 door het Führerprinzip is beïnvloed, bestaat in de Duitse rechtswetenschap nog altijd discussie. Zie Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 26 met literatuurverwijzingen.
Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 28, MünchKomm AktG, §76 nrs. 63-67 (Spindler), MünchHdb AG 2007, §19 nrs. 20-24 (Wiesner).
Nuancerend ten aanzien van de richtsnoer van Gemeinwohl is MünchKomm AktG, §76 nrs. 60-61 (Spindler) die erop wijst dat de oorspronkelijke formulering van §70 AktG 1937 dat de Leitungsaufgabe op een wijze uitgeoefend diende te worden “wie das Wohl des Betriebes und seiner Gefolgschaft und der gemeine Nutzen von Volk und Reich es fordern” in 1965 is geschrapt en dat er naar geldend AG-recht geen voor de Vorstand bindende ‘Gemeinwohlklausel’ bestaat.
Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 28.
Zie §92 lid 2 AktG en §15a van de Insolvenzordnung.
MünchKomm AktG, §76 nr. 63 (Spindler), Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 33.
MünchKomm AktG, §76 nr. 69, Hüffer/Koch 2016, §76 nr. 34.
Zie bijvoorbeeld M. Albert, Capitalism versus Capitalism, vertaling (origineel in het Frans: Capitalisme contre capitalisme) New York: Four Walls Eight Windows 1993, p. 99-126.
Naast het vereiste van een gewichtige reden voor het beëindigen van de vennootschapsrechtelijke betrekking op grond van §84 lid 3 AktG is een separate vraag of in een voorkomend geval ook een gewichtige redenen voor beëindiging van de contractuele rechtsbetrekking (het ‘Anstellungsvertrag’) gegeven is. Deze beoordeling wordt beheersd door §626 lid 1 BGB. Zij leidt niet per definitie tot dezelfde uitkomst als de beoordeling onder §84 lid 3 Ak47. Vgl. met betrekking tot het convocatierecht bijvoorbeeld MünchKomm AktG, §122 nr. 15 (Kubis): “Da das Verlangen nach Abs. 1 S. 1 auf eine Behandlung bestimmter Gegenstände durch die Hauptversammlung gerichtet ist, kann es nur dann eine Einberufungspflicht des Vorstands auslösen, wenn die Hauptversammlung hierfür eine aktienrechtliche Zuständigkeit besitzt. Damit ist jedwedes Verlangen nach einer Befassung der Hauptversammlung mit Beschluss- oder Beratungsgegenständen, die in die Kompetenz von Vorstand oder Aufsichtsrat fallen, bedeutungslos und damit unbeachtlich. Dies gilt insbesondere für ein Minderheitsverlangen, das auf die Befassung der Hauptversammlung mit Geschäftsführungsfragen zielt.” Zie ibid §122 nr. 35 voor de koppeling van dezelfde norm naar het agenderingsrecht van §122 lid 2 AktG. Zie voorts MünchHdb AG 2007, §35 nr. 16 (Semler): “Die Minderheit hat das Recht auf Einberufung der Hauptversammlung nur zu Behandlung solcher Gegenstände, für die die Hauptversammlung zuständig ist. Ausgeschlossen is deshalb ein Minderheitsverlangen auf Einberufung der Hauptversammlung zur Entscheidung über Geschäftsführungsfragen (...) Auch zur Behandlung und eventuellen Beschlussfassung über die Vornahme von Geschäftsführungsmaûnahmen, die nach der Holzmüller-Doktrin (...) der Zustimmung der Hauptversammlung bedürfen, kann das Einberufungsverlangen nicht gestellt werden. Der Vorstand hat zu entscheiden, ob er solche Maûnahme treffen will und muss dann bejahendenfalls die Zustimmung der Hauptversammlung einholen. Dagegen kann nicht die Hauptversammlung die Initiative an sich ziehen.”
Hüffer/Koch 2016, §84 nr. 34.
§84 lid 3 AktG voegt hier nog aan toe dat een vertrouwensopzegging door de Hauptversammlung niet als gewichtige reden kwalificeert wanneer de opzegging op kennelijk onzakelijke gronden is gedaan.
In deze zin MünchHdb AG 2007, §20 nr. 50 (Wiesner). Iets genuanceerder zijn Hüffer/Koch 2016, §84 nr. 38 en MünchKomm AktG, §84 nr. 138 (Spindler) die enige ruimte lijken te laten voor gevallen waarin een besluit tot weigering van decharge (‘Entlastung’) als vertrouwensopzegging geconstrueerd kan worden. Alle schrijvers benadrukken echter dat een weigering van decharge niet zonder meer als vertrouwensopzegging kwalificeert.
Vgl. met betrekking tot het convocatierecht bijvoorbeeld MünchKomm AktG, §122 nr. 15 (Kubis): “Da das Verlangen nach Abs. 1 S. 1 auf eine Behandlung bestimmter Gegenstände durch die Hauptversammlung gerichtet ist, kann es nur dann eine Einberufungspflicht des Vorstands auslösen, wenn die Hauptversammlung hierfür eine aktienrechtliche Zuständigkeit besitzt. Damit ist jedwedes Verlangen nach einer Befassung der Hauptversammlung mit Beschluss- oder Beratungsgegenständen, die in die Kompetenz von Vorstand oder Aufsichtsrat fallen, bedeutungslos und damit unbeachtlich. Dies gilt insbesondere für ein Minderheitsverlangen, das auf die Befassung der Hauptversammlung mit Geschäftsführungsfragen zielt.” Zie ibid §122 nr. 35 voor de koppeling van dezelfde norm naar het agenderingsrecht van §122 lid 2 AktG. Zie voorts MünchHdb AG 2007, §35 nr. 16 (Semler): “Die Minderheit hat das Recht auf Einberufung der Hauptversammlung nur zu Behandlung solcher Gegenstände, für die die Hauptversammlung zuständig ist. Ausgeschlossen is deshalb ein Minderheitsverlangen auf Einberufung der Hauptversammlung zur Entscheidung über Geschäftsführungsfragen (...) Auch zur Behandlung und eventuellen Beschlussfassung über die Vornahme von Geschäftsführungsmaûnahmen, die nach der Holzmüller-Doktrin (...) der Zustimmung der Hauptversammlung bedürfen, kann das Einberufungsverlangen nicht gestellt werden. Der Vorstand hat zu entscheiden, ob er solche Maûnahme treffen will und muss dann bejahendenfalls die Zustimmung der Hauptversammlung einholen. Dagegen kann nicht die Hauptversammlung die Initiative an sich ziehen.”
De codificatie van het moderne Duitse recht met betrekking tot ‘Aktiengesellschaften’ (AG’s, vergelijkbaar met N.V.’s) gaat terug op het ‘Aktiengesetz’ (AktG) uit 1937. Voor die tijd was het recht met betrekking tot AG’s in het ‘Handelsgesetzbuch’ opgenomen. Een aparte wettelijke regeling voor de Duitse variant van de besloten vennootschap, de ‘Gesellschaft mit beschränkter Haftung’ (GmbH) was reeds in 1892 met het GmbH-Gesetz ingevoerd. Hoewel het AktG 1937 onder nationaalsocialistisch bewind tot stand werd gebracht, was de inhoud ervan voor een groot deel terug te voeren op regeringsontwerpen uit 1930 en 1931 ten tijde van de Weimar-republiek.1 Nadien vond in 1965 nog een integrale herziening van het AktG plaats. In de daaropvolgende periode tot 1998 zijn herhaaldelijk wetswijzigingen over uiteenlopende onderwerpen in het AktG doorgevoerd, deels ter implementatie van de EU-richtlijnen op het gebied van het vennootschapsrecht die in deze periode zijn vastgesteld.2 Sinds 1998 is een aantal ingrijpende wetswijzigingen in het AktG tot stand gebracht, waarover meer in §7.2.2 hierna.
De AG kent dwingendrechtelijk drie organen: de Vorstand (bestuur), de Aufsichtsrat (vergelijkbaar met de raad van commissarissen) en de Hauptversammlung (AVA). De leden van de Vorstand worden benoemd en ontslagen door de Aufsichtsrat (§84 AktG), de leden van de Aufsichtsrat worden op hun beurt benoemd door de Hauptversammlung dan wel – afhankelijk van het medezeggenschapsregime dat op de betreffende AG van toepassing is -gedeeltelijk door de Hauptversammlung en gedeeltelijk door (vertegenwoordigers van) vakbonden en/of werknemers (§101 AktG). De typische figuur van werknemersmedezeggenschap via rechtstreekse vertegenwoordiging in de Aufsichtsrat is na de Tweede Wereldoorlog in het Duitse ondernemingsrecht verankerd,3 maar gaat in feite terug op precedenten uit de Duitse keizertijd en de Weimar- republiek.4 Bij een AG met meer dan 500 werknemers in Duitsland dient de Aufsichtsrat in de regel voor ten minste 1/3 uit werknemersvertegenwoordigers te bestaan (§4 lid 1 DrittelbG). Bij een AG met meer dan 2000 werknemers in Duitsland moet de Aufsichtsrat zelfs paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van aandeelhouders en vertegenwoordigers van werknemers waarbij ook het totale aantal leden van de Aufsichtsrat wettelijk is voorgeschreven afhankelijk van het aantal werknemers (§7 MitbestG).5 Deze regels leiden er wel toe dat Aufsichtsräte bij grote (beurs)ondernemingen uit een groot aantal leden bestaan – voor een AG met meer dan 20.000 werknemers in Duitsland geldt op grond van §7 lid 1 onder 3 MitbestG een verplichte Aufsichtsrat van twintig leden waarvan tien werknemersvertegenwoordigers – wat de slagkracht en kwaliteit van deze organen niet altijd ten goede komt.6
Het AktG gaat uit van een strikte verdeling van bevoegdheden tussen de verschillende organen. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de Hauptversammlung. §119 AktG bevat een afbakening van de bevoegdheden van de Hauptversammlung in positieve- en in negatieve zin.7 In positieve zin geeft §119 lid 1 AktG een opsomming van de rechten van de Hauptversammlung, in negatieve zin is de opsomming van §119 lid 1 AktG ook uitputtend: bij gebreke aan een wettelijke of statutaire8 grondslag komt de Hauptversammlung geen bevoegdheid toe.9 Hierbij moet wel worden bedacht dat het AktG en aanverwante wetten veelal dwingendrechtelijke bepalingen bevatten en dat de ruimte voor het bij statuten toekennen van verdergaande bevoegdheden aan de Hauptversammlung dus beperkt is voor zover daarmee een inbreuk gemaakt zou worden op de bevoegdheden die dwingendrechtelijk aan andere organen zijn toegekend.10
In 1982 bracht het Bundesgerichtshof met zijn Holzmüller-uitspraak een belangrijke correctie aan op de in §119 AktG neergelegde bevoegdheidsregeling.11 De zaak ging om een AG waarvan de Vorstand onder toezicht van de Aufsichtsrat had besloten tot het buiten het concern brengen van een dochteronderneming die 80% van de waarde van het geconsolideerde vermogen van het concern vertegenwoordigde. Strikt genomen was op grond van het AktG geen besluit van de Hauptversammlung vereist. Het Bundesgerichtshof oordeelde evenwel dat een besluit van de Hauptversammlung toch was vereist wanneer het een besluit betrof dat zo diep in de lidmaatschapsrechten van de aandeelhouders en hun in het aandelenbezit besloten kapitaalbelangen ingrijpt dat de Vorstand niet redelijkerwijs kan aannemen dat hij het besluit uitsluitend op eigen verantwoordelijkheid en zonder raadpleging van de Hauptversammlung zou kunnen nemen. De ‘Holzmüller Doktrin’ zorgde in de literatuur en in de praktijk voor de nodige onzekerheid.12 In 2004 bracht het Bundesgerichtshof met zijn uitspraak in Gelatine een belangrijke nuancering op de reikwijdte van Holzmüller aan, onder meer door nadrukkelijk op de specifieke feiten en omstandigheden van die casus te wijzen.13 Toch resteert na Gelatine nog altijd een zekere ruimte voor een “ungeschriebener Hauptversammlungszuständigkeit” in de rechtspraak waarover met name rond herstructureringen nog met enige regelmaat wordt geprocedeerd.14
Het AktG kent aan aandeelhouders van AG’s bepaalde lidmaatschapsrechten toe. Deze lidmaatschapsrechten zijn onder te verdelen in zeggenschapsrechten (‘Verwaltungsrechte’) en economische rechten (‘Vermögensrechte’).15 Daarnaast worden de lidmaatschapsrechten van aandeelhouders doorgaans onderverdeeld in ‘eigennützliche Mitgliedschaftsrechte’ en ‘uneigennützliche Mitgliedschaftsrechte’.16 Bij de uitoefening van eigennützliche Rechte staat het de individuele aandeelhouder vrij om zijn eigen belangen in de vennootschap na te streven. Tot deze categorie rechten worden naast alle economische lidmaatschapsrechten onder meer het recht op inlichtingen in de Hauptversammlung (§131 AktG) en het recht om vernietiging van besluiten van de Hauptversammlung te vorderen (§245 e.v. AktG, de zogenoemde ‘Anfechtungsklage’). Bij de uitoefening van uneigennützliche Rechte heeft de aandeelhouder zich naar het belang van de vennootschap te richten. In de literatuur is wel verdedigd dat het stemrecht van aandeelhouders in algemene zin tot de uneigennützliche Rechte moet worden gerekend, maar algemeen wordt aangenomen dat dit afhankelijk van het besluitvormingsonderwerp moet worden beoordeeld.17 Daarnaast gelden bij de uitoefening door aandeelhouders van zowel bij eigennützliche als uneigennützliche Rechte beperkingen uit hoofde van misbruik van recht en uit hoofde van de ‘Treuepflicht’ tussen aandeelhouders en de vennootschap en tussen aandeelhouders onderling.18 De uitoefening van aandeelhoudersrechten is juridisch gezien dus in meerdere opzichten aan bepaalde buitengrenzen gebonden.
Een kernbepaling van het AktG is §76 waarin is bepaald dat de Vorstand de plicht heeft om “unter eigener Verantwortung die Gesellschaft zu leiten.”19 Onder ‘Leitung’ wordt onder meer verstaan het bepalen en uitvoeren van de strategie van de onderneming (‘Unternehmenspolitik’) en het treffen van ‘Führungsentscheidungen’.20 Op grond van §77 AktG is ook de bevoegdheid tot ‘Geschäftsführung’ aan de Vorstand opgedragen. Geschäftsführung is een breder begrip dan Leitung en omvat “jedwede tatsächliche und rechtsgeschäftliche Tätigkeit für die AG”.21 Als tegenhanger bepaalt §119 lid 2 AktG dat de Hauptversammlung alleen bevoegd is om over ‘Fragen der Geschäftsführung’ te besluiten wanneer een dergelijk besluit door de Vorstand van de Hauptversammlung wordt gevraagd. In deze twee bepalingen ligt een belangrijke begrenzing van de positie van aandeelhouders besloten: zaken met betrekking tot de bedrijfsvoering zijn per definitie aan de bevoegdheden van de Hauptversammlung onttrokken.22 De Hauptversammlung kan ook niet actief de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van bepaalde onderwerpen op grond van §119 lid 2 AktG naar zich toe trekken, vereist is dat de Vorstand hier zelf actief om vraagt.23 Wat betreft strategische aangelegenheden vormen de dwingendrechtelijke bevoegdheden van de Hauptversammlung om te besluiten over bepaalde structuurwijzigingen en statutenwijzigingen de buitengrenzen van de bevoegdheden van de Vorstand, aangevuld met de Holzmüller/Gelatine gevallen waarin de Vorstand besluiten neemt die naar doel en strekking tot de bevoegdheden van de Hauptversammlung gerekend moeten worden. Binnen deze grenzen is de Vorstand bevoegd om onder toezicht van de Aufsichtsrat concreet gestalte te geven aan zijn ‘Leitungsaufgabe’. De Vorstand heeft ten opzichte van de Hauptversammlung dus dwingendrechtelijk een autonome positie.24
Bij de Leitungsaufgabe van de Vorstand op grond van §76 AktG hoort ook een zekere mate van ‘Leitungsermessen’. Hierin ligt een ander wezenlijk kenmerk van het Duitse ondernemingsrecht voor AG’s besloten, namelijk de oriëntatie van de doelstelling van de vennootschap – en daarmee van de bestuurstaak van de Vorstand – op pluralistische belangen (‘interessenplurale Zielkonzeption’).25 Bij de vervulling van zijn Leitungsaufgabe heeft de Vorstand zich naar de heersende leer niet alleen naar de belangen van aandeelhouders te richten, maar ook naar andere relevante belangen zoals die van werknemers en het algemeen belang (‘Gemeinwohl’).26 Naar heersende leer wordt aangenomen dat de belangen van crediteuren – anders dan naar Nederlands recht – geen prominente plaats in deze belangenafweging innemen,27 maar hier staat tegenover dat crediteuren wettelijke bescherming genieten door de regels rond kapitaalbescherming en door de strikt geformuleerde wettelijke plichten van de Vorstand in geval van ‘Zahlungsunfähigkeit’ of ‘Überschuldung’.28 Net als naar Nederlands recht met betrekking tot het vennootschappelijk belang het geval is, geldt ook bij de Duitse interessenplurale Zielkonzeption dat het recht niet bepaalt wat de relevante deelbelangen zijn en ook geen rangorde tussen de verschillende deelbelangen voorschrijft. Als zodanig is het de plicht – en het recht – van de Vorstand om de verschillende deelbelangen te identificeren en tegen elkaar af te wegen.29 In dit kader wordt ook wel van het begrip ‘Unternehmensinteresse’ gesproken. Helemaal onbepaald is deze richtsnoer niet; als buitengrens van het Leitungsermessen wordt aangenomen dat de Vorstand gehouden is om in ieder geval te zorgen voor de continuïteit en een duurzame rentabiliteit van de onderneming.30 De pluralistische belangenoriëntatie vormt samen met het stelsel van rechtstreekse participatie van werknemers op het niveau van de Aufsichtsrat de ondernemingsrechtelijke vertaling van het Duitse maatschappelijk arrangement dat doorgaans wordt aangeduid als het ‘Rijnlandse model’ (zie §7.2.2 hierna).31
Een andere inperking van de positie van aandeelhouders volgt uit de dualistische structuur van de ‘Verwaltung’ (Vorstand en Aufsichtsrat) van de AG. Zoals hiervoor opgemerkt heeft de Hauptversammlung alleen benoemings- en ontslagbevoegdheden ten aanzien van de leden van de Aufsichtsrat (voor zover het leden betreft die niet op grond van de toepasselijke wettelijke medezeggenschapsregelingen vanuit de werknemersvertegenwoordigers zijn benoemd). Leden van de Vorstand kunnen alleen door de Aufsichtsrat worden ontslagen (§84 lid 3 AktG). Ontslag van een lid van de Vorstand is op grond van §84 lid 3 AktG alleen toegestaan wanneer hiervoor een gewichtige reden (‘wichtiger Grund’) bestaat.32 De ratio voor dit wettelijk vereiste is om te voorkomen dat een lid van de Vorstand in een afhankelijkheidspositie komt te verkeren die niet in overeenstemming is met de wettelijke Leitungsaufgabe van §76 AktG.33 Als voorbeelden van gewichtige redenen noemt §84 lid 3 AktG onder meer een grove schending van de bestuurstaak (vgl. in dit verband ook de plicht tot behoorlijk en zorgvuldig bestuur van §93 lid 1 AktG) en het opzeggen van het vertrouwen in het lid van de Vorstand door de Hauptversammlung (‘Vertrauensentzug durch die Hauptversammlung’).34 De laatstgenoemde zin wekt op het eerste gezicht de indruk dat de Hauptversammlung ondanks het gebrek aan een formele ontslagbevoegdheid wel degelijk effectief op het ontslag van leden van de Vorstand kan aansturen. Praktisch gezien ligt dat echter anders. Voor een vertrouwensopzegging in de zin van §84 lid 3 AktG is in beginsel een expliciet daartoe strekkend besluit van de Hauptversammlung vereist,35 wat op zijn beurt weer een expliciet agendapunt op een deugdelijk bijeengeroepen Hauptversammlung vergt. Een vertrouwensopzegging door de Hauptversammlung kan dus pas plaatsvinden wanneer de nodige formele obstakels (zie hierna) zijn genomen, iets wat met name bij beursgenoteerde AG’s in de praktijk niet eenvoudig zal zijn.
Een laatste beperking van de positie van aandeelhouders in Duitse AG’s betreft de gebondenheid van de Hauptversammlung aan de grenzen van de haar bij wet toegekende bevoegdheden. Zoals hiervoor opgemerkt geeft het AktG een uitputtende opsomming van de bevoegdheden van de Hauptversammlung, wederom met uitzondering van de door de Holzmüller/Gelatine doctrine bestreken gevallen. Deze beperking werkt ook door in het functioneren van de
Hauptversammlung als orgaan van de AG. Zo zijn de convocatie- en agenderingsrechten voor minderheidsaandeelhouders op grond van het AktG (§122 leden 1 en 2 AktG) in vergelijking tot de Nederlandse equivalenten van artikel 2:110/111 BW respectievelijk artikel 2:114a BW weliswaar gunstiger geformuleerd met lagere toegangsdrempels en kortere termijnen, maar het toepassingsbereik van deze bevoegdheden is beperkt tot aangelegenheden waartoe de Hauptversammlung op grond van het AktG bevoegd is te beraadslagen of te besluiten.36 Hiermee is de mate waarin aandeelhouders in AG’s proactief besluitvorming over strategische onderwerpen kunnen initiëren zeer beperkt.