De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.8:3.2.8 Corrigerende bevoegdheden ten aanzien van bestuurders via de rechter
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.8
3.2.8 Corrigerende bevoegdheden ten aanzien van bestuurders via de rechter
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388533:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de aanbevelingen van Feith 1925, p. 42-43.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wettelijke mogelijkheden via de rechter
In de WS 1956 werden aan het openbaar ministerie en aan belanghebbenden bevoegdheden toegekend om in het bestuur in te grijpen via de rechter.1 De in de WS 1956 opgenomen bepalingen gelden thans nog nagenoeg ongewijzigd. De Minister overwoog nadrukkelijk dat het aanbeveling verdiende het overheidstoezicht op stichtingen, via het openbaar ministerie, beperkt te houden.2 Het toezicht zou niet, althans niet in de eerste plaats, toezicht op het beleid moeten zijn, aangezien dit in beginsel ter vrije dispositie van het stichtingsbestuur staat.3 In de WS 1956 werd bepaald dat slechts in een aantal wettelijk omschreven gevallen kan worden opgetreden tegen een bestuurder. Net als de huidige wet bepaalde de WS 1956 dat het openbaar ministerie en belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken een bestuurder te ontslaan indien sprake is van wanbeheer of niet-naleving van de bepalingen van de wet en de statuten (artikel 12 lid 1 sub a WS 1956 en artikel 2:298 lid 1 sub a BW).
Optreden in geval van wanbeheer, strijd met wet of statuten
Enkele leden van de Vaste Commissie voor Justitie, die zich in 1954 over het wetsvoorstel bogen, vroegen aan Minister Donker of begunstigden (“gebeneficieerden”) niet al te gemakkelijk het bestuur van een stichting met een liefdadig doel voor de rechter zouden kunnen dagen om zich over het beheer te verantwoorden. De Minister antwoordde dat het bestuur niet in de eerste plaats tot verantwoording van zijn beleid verplicht is en dat degene die de rechter betrekt moet bewijzen dat hij belanghebbende is en dat het bestuur zich schuldig maakt aan wanbeheer.4 In het verslag van het overleg tussen de Minister en de Vaste Commissie is voorts te lezen dat de Minister van het openbaar ministerie geen omvangrijke activiteit verwachtte op het terrein van de stichtingen. De bedoeling van het ontwerp was om slechts op te treden in geval van wanbeheer of handelen in strijd met wet of statuten. Tot personeelsuitbreiding van de rechterlijke macht noopte deze nieuwe opdracht dan ook niet, aldus de Minister.
Voorlopige voorzieningen
Voorts werd in de WS 1956 de bepaling opgenomen dat, hangende het onderzoek naar handelen in strijd met de wet of statuten of wanbeheer, de rechtbank voorlopige voorzieningen kan treffen in het beheer en de bestuurder kan schorsen (artikel 12 lid 2WS 1956, zie ook artikel 2:298 lid 2 BW). Bovendien werd bepaald dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder van de stichting kan worden ((artikel 12 lid 3 WS 1956, zie ook artikel 2:298 lid 3 BW). Voorts werd de bepaling opgenomen dat het openbaar ministerie bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel of het beheer naar behoren wordt gevoerd, inlichtingen kan vragen en – via de rechtbank – openlegging van de boeken kan vorderen (artikel 11 WS 1956, zie ook artikel 2:297 BW). Tot slot werd in de WS 1956 bepaald dat een bestuurder die aan een daartoe door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie gegeven bevel niet meewerkt, kan worden ontslagen door de rechtbank conform de hiervoor genoemde procedure (artikel 12 lid 1 sub b WS 1956, zie ook artikel 2:298 lid 1 sub b BW).