Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.3
3.2.3 Achtergrond WS 1956: het tegengaan van rechtsonzekerheid en het voorkomen van misbruik van de vereniging
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389732:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo blijkt uit Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 5.
Zie ook Polak 1956, p. 11.
Zie ook artikelen 5-7 van de Wet van 22 april 1855 tot regeling en beperking van het recht van vereniging en vergadering, Stb. 1855, nr. 32.
Aldus Minister Donker bij de parlementaire behandeling van de WS 1956 (Handelingen II 1955-1956, p. 2114).
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek werd vastgesteld bij de wet van 12 mei 1960, Stb. 205 (“Vaststellingswet Boek 2 BW”). De eindtekst werd voorafgegaan door het ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers met de daarbij behorende toelichting (“Toelichting Meijers”). Boek 2 BW trad op 26 juli 1976 inwerking middels de wetten van 8 april 1976, Stb. 228 en Stb. 229 (“Invoeringswet”). De wet van 8 april 1976, Stb. 228, bevat de hoofdstukken 1 en 6 van de Invoeringswet en de wet van 8 april 1976, Stb. 229, de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5.
Meijers merkte daarover het volgende op: “Waar echter wel tegen gewaakt dient te worden, is, dat de verschillende typen van rechtspersonen zich enkel door formele kenmerken zouden onderscheiden, zodat alle vormen door elkaar voor een zelfde soort organisatie met een zelfde doel konden worden gebruikt. Helaas is het thans zo gesteld, dat een organisatie vrijelijk die vorm van rechtspersoon kan kiezen, die haar oprichters het meest aanstaat. Men vindt volkomen gelijkgeaarde ondernemingen nu eens als naamloze vennootschap, dan weer als verenigingen volgens de wet van 1855, ook wel als coöperatieve verenigingen of tegenwoordig zelfs als stichtingen opgericht. Men kiest die vorm van rechtspersoon, die men het minst bezwarend acht.” Zie ook Polak 1956, p. 13, en Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 2.1.
Toelichting Meijers uit 1954, Van Zeben, p. 211.
Handelingen II 1955-1956, p. 2111.
De wetgever moet de stichting niet in een keurslijf dringen, aldus enkele Kamerleden.Handelingen II 1955-1956, p. 2111.
Zie ook Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 2.
Rechtsonzekerheid
Een belangrijke reden voor het opstellen van een ontwerp voor een wettelijke regeling van stichtingen in 1954 was de rechtsonzekerheid die was ontstaan op een aantal gebieden.1 Het gewoonterecht en de jurisprudentie bleken niet bij machte voor de stichting voldoende geëigende regels te geven, aldus de MvT bij de WS 1956. Een belangrijk punt van onzekerheid was dat onduidelijkheid bestond over de wijze en het moment waarop een stichting met rechtspersoonlijkheid ontstond. De rechtsonzekerheid op dit punt en op andere punten werd vanuit een oogpunt van algemeen belang onaanvaardbaar geacht. Deze rechtsonzekerheid bestond al eerder en om diezelfde reden was reeds eerder, in 1937, een poging tot wettelijke vastlegging gedaan.2 Het wetsontwerp uit 1937 werd echter, nadat het “op velerlei tegenstand was gestuit”, in 1948 ingetrokken.3 In plaats van het wetsontwerp uit 1937 aan te passen werd er voor gekozen te wachten op een geheel nieuwe regeling die verband zou houden met het ontwerp van een nieuw Burgerlijk Wetboek. Deze nieuwe regeling werd het ontwerp van de WS 1956 en in de MvT bij de WS 1956 werd een passage herhaald uit de MvT bij het ontwerp uit 1937:
“Een bezwaar tegen den huidigen toestand is, dat een instituut, hetwelk in het rechtsverkeer een steeds belangrijker plaats is gaan innemen, aan geen enkele regel, zelfs van aanvullend recht, is onderworpen. Bij onvolledigheid der stichtingsakte doet zich die moeilijkheid zowel in de interne verhoudingen der stichtingen als naar buiten het meest gevoelen. Ook wanneer het doel (van een stichting) is bereikt of vaststaat, dat het onbereikbaar is, biedt het positieve recht geen uitkomst. Voorts kan het ontbreken van elke controle op de gestie van het bestuur tot ongewenste gevolgen leiden. Wanbeheer en verkwisting kunnen ongemerkt plaatsvinden; bestuurders kunnen zich bevoordelen. Meermalen is er niemand, die het recht heeft hiertegen op te treden. Daar het niet bekend is welke stichtingen bestaan en wie de bestuurders zijn, is zelfs verduistering heel moeilijk te ontdekken.”4
Voorkomen van misbruik van de stichtingsvorm
Naast het wegnemen van rechtsonzekerheid, was een belangrijk motief voor het opstellen van een wettelijke regeling voor de stichting: het voorkomen van misbruik van de stichtingsvorm wanneer een andere rechtsvorm – zoals een vereniging – meer geëigend of feitelijk bedoeld was.5 Verenigingen die veelal dezelfde werkzaamheden en vergelijkbare (ideële) doelstellingen hadden als stichtingen verkregen pas rechtspersoonlijkheid na Koninklijke goedkeuring (later: een ministeriële verklaring van geen bezwaar).6 De Koninklijke erkenning geschiedde door goedkeuring van de statuten van de vereniging, waarin het doel, de grondslagen, de werkkring en de overige regels van de vereniging moesten zijn opgenomen en kon slechts worden geweigerd op gronden ontleend aan het algemeen belang. Middels de voorgeschreven goedkeuring konden verenigingen met een statutair doel dat in strijd was met het algemeen belang worden geweerd. Niet alleen het doel maar ook andere onderdelen van de statuten werden beoordeeld. Zo werd bijvoorbeeld nagegaan of de leden van de vereniging op grond van de statuten een behoorlijke positie hadden die voldoende democratisch was.7
Onderscheid door materiële kenmerken
Voor de oprichting van een stichting met rechtspersoonlijkheid schreef de WS 1956 geen Koninklijke erkenning of een vorm van preventief toezicht voor. De wetgever koos er wel voor om, in navolging van het Ontwerp voor het Burgerlijk Wetboek van Meijers (Ontwerp Meijers),8 in de wet materiële kenmerken voor de stichting op te nemen, teneinde te voorkomen dat oprichters vrijelijk konden kiezen voor een stichting in plaats van een vereniging alleen om het preventief toezicht en/of de wettelijke voorschriften van de vereniging te omzeilen. De WS 1956 sloot wat betreft de formulering van materiële kenmerken (deels) aan bij het Ontwerp Meijers.9
“Een wetgever, die zijn dwingende bepalingen wenst te zien geëerbiedigd, moet materiële kenmerken voor de verschillende soorten van rechtspersonen opstellen, zodat iedere vorm beantwoordt aan een bijzondere door de wet erkende behoefte.”10
Tijdens de parlementaire behandeling van de WS 1956 signaleerde toenmalige Minister van Justitie Donker dat er stichtingen waren die in wezen verenigingen of “verkapte naamloze vennootschappen” waren.11 De Minister vond het misbruik van de stichtingsvorm, dat een gevolg was van het ontbreken van een wettelijke regeling, hoogst ongewenst en merkte op dat de stichting niet duidelijk was afgebakend van andere rechtspersonen terwijl het bestuur van een stichting ongecontroleerd “het stichtingsdoel kan verijdelen en zich aan wanbeheer schuldig kan maken”. Ook vanuit de Tweede Kamer werd om diezelfde redenen aangedrongen op een wettelijke regeling. Daarbij werd wel aangetekend dat de wettelijke regeling soepel zou moeten zijn en dat de uitwerking voor een deel aan de rechter moest worden overlaten.12 Het doel van het wetsontwerp moest niet zozeer zijn het scheppen van een “afgerond rechtstheoretisch systeem” maar vooral het codificeren van de bestaande toestand, het voorzien in praktische leemten en het tegengaan van misbruik”.13 Om die reden was de voorgestelde regeling in de WS 1956 betrekkelijk summier.