Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5.1
7.5.1 Aanvankelijk geen eenduidige duidelijk gemotiveerde keuzes
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619052:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken.
Daarvoor is die rechtspraak te gefragmenteerd: er zijn niet veel relevante uitspraken, de omstandigheden van het geval en de precieze klachten in cassatie zijn steeds belangrijk en verschillen nogal van zaak tot zaak.
HR 25 juni 1996, NJ 1996/716.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1998:ZD1130, NJ 2000/107 m.nt. Schalken.
HR 7 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1678, NJ 2000/539 m.nt. Schalken.
Zie HR 26 april 1988, NJ 1989/186 (bewijsuitsluiting na inbreuk op Belgische soevereiniteit) en HR 29 september 1987, NJ 1988/302 m.nt. Van Veen en HR 25 juni 1996, NJ 1996/715 en 716 (toetsing onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten uitgevoerde huiszoeking aan daarvoor naar Nederlands recht geldende voorwaarden).
Tot het standaardarrest over dit onderwerp uit 20101 was in de rechtspraak van de Hoge Raad geen eenduidig antwoord te vinden op de voormelde vragen. De rechtspraak over toetsing van buitenlandse opsporing die aan dit standaardarrest voorafging, liet zich niet in een sluitend schema te vangen.2 In de rechtspraak waren wel bepaalde hoofdlijnen herkenbaar, zoals dat toetsing van de rechtmatigheid naar buitenlands recht niet nodig is.3 Zo mocht bij instemming van de buitenlandse autoriteiten erop worden vertrouwd dat het met de rechtmatigheid naar buitenlands recht wel goed zat.4 Voorts leek het Schutznormvereiste mee te brengen dat de verdachte geen beroep kan doen op eventuele inbreuken op de soevereiniteit van het buitenland op wiens grondgebied is opgetreden.5 Op elk van deze punten bestonden echter uitzonderingen.6 Dat schiep, vooral omdat hoofdlijn noch uitzondering van een motivering was voorzien waaruit de geldende stand van het recht duidelijk werd, weinig helderheid over de precieze taak van de zittingsrechter. Wel moet daarbij worden vermeld dat het vaak al wat oudere rechtspraak was, waarin werd afgeweken van de genoemde hoofdlijnen. Het leek er dus op dat de rechtspraak waarin werd getoetst aan buitenlands recht en waarin de vraag relevant was of inbreuk was gemaakt op de soevereiniteit van het buitenland – door de opkomst van het Schutznormvereiste en het toegenomen vertrouwen in andere aan het EVRM gebonden buitenlanden – achterhaald was, maar met zoveel woorden was dat in de rechtspraak van de Hoge Raad niet tot uitdrukking gebracht.