Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/1.3:1.3 Probleemstelling en verantwoording
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/1.3
1.3 Probleemstelling en verantwoording
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444861:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Met de daarin gedreven onderneming.
Hierna ook: CBS.
In 1998 werden van de 5100 faillissementen 274 beëindigd door een akkoord. In 2007 werden van de 9081 faillissementen evenwel slechts 153 door een akkoord beëindigd. Door de komst van de schuldsaneringsregeling in 1998 is het toch al jaarlijks geringe aantal akkoorden nog onbeduidender geworden. Bron: CBS, juni 2008.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De totstandkoming van een akkoord kan een voorwaarde zijn voor het slagen van een reorganisatie van een rechtspersoon, maar ook voor het gezond maken van de financiële positie van een natuurlijk persoon. Het akkoord biedt de in financiële problemen verkerende schuldenaar een kans om na de sanering met een schone lei door te gaan en indien de schuldenaar een rechtspersoon is, deze voort te zetten.1 Het akkoord is binnen de Faillissementswet de enige wijze waarop een schuldenaar niet natuurlijk persoon van zijn schulden kan worden verlost. Voor een schuldenaar natuurlijk persoon kent de Faillissementswet naast het akkoord de beëindiging van de schuldsaneringsregeling krachtens art. 356 Fw. In beide situaties is de schuldenaar nadien niet langer aansprakelijk voor de niet of de niet geheel voldane vorderingen, omdat deze in beginsel na beëindiging van het faillissement slechts als natuurlijke verbintenissen overblijven.2 Het is om deze reden bevreemdend te moeten constateren dat van het akkoord sinds zijn ontstaan, in de rechtspraktijk ontstellend weinig gebruik wordt gemaakt. Dit gegeven brengt ons bij een van de redenen van dit onderzoek. Een van de vragen is wat de reden is dat het akkoord geen, althans een onbeduidende rol heeft in het reorganisatieproces. Is de regeling van het akkoord te ingewikkeld, waardoor het te veel kostbare tijd inneemt die juist in dit soort van penibele situaties niet kan worden gemist? Wordt door de (complexe) regeling zelf, de totstandkoming van een akkoord belemmerd? De statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek3 laten zien dat ongeveer 3% van de jaarlijks uitgesproken faillissementen wordt beëindigd door een akkoord.4 Het akkoord heeft derhalve praktisch gezien nauwelijks betekenis. Dat het akkoord zijn weg in de rechtspraktijk niet heeft gevonden, blijkt niet alleen uit de cijfers van het CBS, maar ook uit het feit dat in de literatuur het akkoord weinig wordt besproken. In dit proefschrift wordt onderzocht waarom het akkoord in een reorganisatie niet of nauwelijks wordt gebruikt en of, en zo ja, er drempels zijn en op welke wijzen die zouden kunnen worden opgeheven, althans minder hoog zouden kunnen worden gemaakt, zodat het akkoord binnen een reorganisatie gezien gaat worden als een bruikbaar saneringsinstrument.
Uit het voorgaande blijkt dat de regeling van het akkoord tot op heden minimale aandacht heeft gekregen. In dit onderzoek zal om die reden de huidige wettelijke regeling worden geanalyseerd. Het doel is om het bestaande recht op systematische wijze in kaart te brengen en dit nader te onderzoeken. Hierbij wordt uitgegaan van het bestaande wettelijke systeem en de daarbij horende uitgangspunten, aangezien het akkoord hiervan immers onderdeel uitmaakt. Waar nodig zullen voorstellen worden gedaan tot aanpassing, aanvulling of tot interpretatie van de regeling. Om de regeling van het akkoord te kunnen doorgronden en om het akkoord een plaats te kunnen geven in ons recht, zal tevens kort worden ingegaan op andere saneringsinstrumenten die ons recht kent. Daarnaast zal ik mij in mijn onderzoek richten op de buitengerechtelijke regeling. Hiervoor is aangegeven dat een zekere verwantschap bestaat tussen de buitengerechtelijke regeling en het akkoord, maar dat de regelingen door gescheiden wettelijke circuits worden beheerst en dat dit leidt tot een aantal onvermijdelijke consequenties. Door invoering van art. 287a Fw heeft de buitengerechtelijke regeling op 1 januari 2008 een wettelijke basis gekregen. Aangezien art. 287a Fw kan worden beschouwd als een codificatie van het geldende recht inzake het dwingen van een weigerachtige schuldeiser tot het verlenen van medewerking aan een buitengerechtelijke regeling, zal de buitengerechtelijke regeling en de daaruit voortgesproten rechtspraak vanuit die invalshoek worden belicht.
Sinds de start van dit onderzoek heeft de Faillissementswet vele wijzigingen ondergaan. Deze wijzigingen zijn in dit onderzoek voor zover relevant meegenomen. Niettemin moet worden opgemerkt dat het onderzoek naar de regeling van het akkoord steeds is gedaan vanuit de basis en daarmee bedoel ik de regeling zoals die in de Faillissementswet is neergelegd sinds 1896. De nadien ingevoerde wetswijzigingen betreffende het akkoord worden in dit onderzoek vanzelfsprekend besproken, maar hebben mijns inziens de basis van de wettelijke regeling niet fundamenteel veranderd.