Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.2.2.1
3.3.2.2.1 De ava: instructiemacht en instructierecht
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488621:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43, m.nt. H.B. (Forumbank).
Het betrof hier de instructie eigen aandelen in te kopen. De bevoegdheid daartoe te besluiten kwam op grond van de statuten toe aan het bestuur.
Vastgesteld bij besluit van de staatssecretaris van Justitie van 18 november 1985, Stcrt. 1985, 227.
Wet van 22 juni 2000 tot wijziging boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de herziening van het preventief toezicht bij oprichting en wijzigingen van statuten van naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2000, 283
Art. 2:129/239 lid 4 BW bepaalde dat het mocht gaan om aanwijzingen die de algemene lijnen van het te voeren beleid betroffen op nader in de statuten aan te duiden terreinen.
OK 9 maart 2000, JOR 2000/99 (Willem III).
OK 23 juni 1983, NJ 1984, 571 m.nt. Ma. (Batco).
De woorden ‘waaraan die directie zich moeilijk kon onttrekken’ lijken ontleend te zijn aan de Howson-Algraphy beschikking van de Ondernemingskamer (OK 2 juni 1983, opgenomen in HR 11 juli 1984, NJ 1985, 212 m.nt. Ma), waarover nader in par. 5.2.1.2. Timmerman (2001, p. 477) spreekt van een gemitigeerd instructierecht.
HR 10 januari 1990, NJ 1990 466, m.nt. Ma (Ogem).
HR 4 december 1992, NJ 1993, 271 m.nt. Ma. en JAR 1992/149 (Mast Holding).
Onder meer Bartman/Dorresteijn 2009, p. 100; Van den Ingh 2002, p. 20; en Hamers, 2002, p. 69.
HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 m.nt. Kortmann en JOR 2002, 38 m.nt. Faber/Bartman (Sobi/ Hurks). Volgens Van der Korst (2002, p. 24) is het gebruik van de kwalificatie ‘bindend’ niet juist. Terecht merkt hij op dat de algemene vergadering (onder het destijds geldende recht) geen bindende instructies met betrekking tot een concreet besluit aan het bestuur kon geven.
Het betrof hier de vraag of de moeder het bestuur van de dochter de concrete instructie had moeten geven de schuldeisers van de penibele financiële situatie in kennis te stellen en, zo van bereidheid die instructie op te volgen niet zou blijken, het bestuur van de dochter had moeten opdragen surseance van betaling aan te vragen.
Ook de Voorzieningenrechter ’s-Gravenhage maakt geen onderscheid tussen algemene en concrete instructies, en beoordeelt de (in dat geval concrete) instructie inhoudelijk (Vzngr. Rb. ’s-Gravenhage 7 augustus 2002, JOR 2002/173 m.nt. Van den Ingh).
Asser-Maeijer-Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 413; Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 155; en Bartman/Dorresteijn 2009, p. 95.
De Jongh 2007, p. 35.
Raaijmakers 2010, p. 805.
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2010/228 m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI).
Dit zal zich met name voordoen bij vennootschappen met een gespreid aandelenbezit. Een grootaandeelhouder die over 27% van de aandelen beschikt, zal doorgaans met dat (minderheids)pakket toch een doorslaggevende stem in de algemene vergadering van aandeelhouders hebben. Is om bestuurders te ontslaan echter een gekwalificeerde meerderheid van tenminste twee derde van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende tenminste 50% van het geplaatste kapitaal vereist, dan wordt het een stuk lastiger om onwelgevallige bestuurders te ontslaan.
Dat de pogingen van de aandeelhouders niet succesvol waren was niet het gevolg van het feit dat dat het enquêterecht geen geschikt instrument zou zijn, maar van het feit dat met betrekking tot de betreffende bestuurshandelingen geen instructierecht bestond.
Rapport van de Expertgroep ingesteld door de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Economische Zaken, uitgebracht op 6 mei 2004, p. 35.
Dat wil zeggen door in art. 2:239 lid 4 BW het onderscheid tussen algemene aanwijzingen en concrete instructies op te heffen.
Deze verruiming biedt met name perspectief in die gevallen waarin het structuurregime van toepassing is, en, zoals ik zojuist aangaf, feitelijke afdwingbaarheid van aanwijzingen lastig is.
Kamerstukken II 2006-2007 31 058, nr. 2. De wet is met ingang van 1 oktober 2012 van kracht.
Naar aanleiding van het Voorontwerp heeft de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht opgemerkt dat het voor de hand ligt eenzelfde lid 4 toe te voegen aan art. 2:129 BW. Daar valt tegenin te brengen dat, in ogenschouw genomen de grote invloed die in de praktijk met een beperkt aandelenbezit kan worden uitgeoefend in de algemene vergadering van aandeelhouders van beursgenoteerde naamloze vennootschappen, terughoudendheid past met een dergelijke aanpassing. Vgl. ook De Jongh 2007, p. 35.
Aan deze complicerende bewijsrechtelijke factor mag men niet al te licht voorbijgaan.
Bartman/Dorresteijn 2009, p. 97.
Decennialang is het Forumbankarrest, dat de Hoge Raad in 1955 wees, maatgevend geweest bij het denken over de instructiebevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders.1 Op de stelling dat de algemene vergadering als hoogste macht binnen de vennootschap bevoegd was concrete instructies2 aan het bestuur te geven en dat het bestuur gehouden was die op te volgen, overwoog de Hoge Raad dat hiermee miskend wordt ‘dat ook de algemene vergadering de bij wet en statuten getrokken grenzen harer bevoegdheid niet mag overschrijden …’. Uitganspunt is dat, behoudens voor zover het gaat om besluiten waartoe de algemene vergadering op grond van de wet of de statuten bevoegd is, het bestuur niet gehouden is uitvoering te geven aan instructies van de algemene vergadering.
De bevoegdheden van de algemene vergadering zijn in 1986 met de invoering van de departementale Richtlijnen 19863 verruimd. Op grond van § 9 van de Richtlijnen werd toegestaan om in de statuten te bepalen dat het bestuur gehouden was zich te gedragen naar de aanwijzingen van een vennootschapsorgaan betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid. Op 1 september 20014 is § 9 van de Richtlijnen in iets algemenere vorm opgenomen in een nieuw lid 4 van art. 2:129/239 BW; het gaat echter nog steeds slechts om aanwijzingen.5 Uitgangspunt was en bleef, zoals de Ondernemingskamer dat in 2000 nog eens verwoordde,6 dat het bestuur een eigen bevoegdheid en een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het besturen van de vennootschap, en derhalve slechts in beperkte mate gehouden was instructies van de algemene vergadering van aandeelhouders op te volgen. In de loop der jaren is de vraag niet zozeer geworden of de algemene vergadering bevoegd is aanwijzingen te geven, maar veeleer of deze aanwijzingen afdwingbaar zijn. Zo niet juridisch, dan toch in ieder geval feitelijk. Een eerste aanzet treffen we in de OK-beschikking inzake Batco, waarin de Ondernemingskamer sprak van richtlijnen en aanwijzingen van de moeder, waaraan de dochter zich, gezien haar afhankelijkheid, moeilijk kan onttrekken.7 Sprak de Ondernemingskamer zich hier nog in min of meer algemene bewoordingen uit over de verhouding tussen moeder- en dochtervennootschappen, in de Ogem-uitspraak spreekt de Hoge Raad zich concreet uit over die machtsverhoudingen:
‘9.3. Voorts ligt aan het oordeel van de OK kennelijk de gedachte ten grondslag dat de raad van bestuur van Ogem Holding, waarvan de leden tevens de raad van bestuur van Ogem BV vormden, de directie van Ogem richtlijnen en aanwijzingen met betrekking tot het te voeren beleid kon geven, waaraan die directie zich moeilijk kon onttrekken8 , nu de raad van bestuur van Ogem Holding het in zijn macht had om in te grijpen in die zin dat hij de mogelijkheid bezat de directie van Omega, zo … zij zich bleef onttrekken aan … de leiding van de concerntop, te doen schorsen, dan wel te doen ontslaan en vervangen door een directie die zich wel zou voegen naar de haar door of vanwege de concernleiding te verstrekken richtlijnen en aanwijzingen.’.9
In de Ogem-uitspraak staat de mogelijkheid van de algemene vergadering van aandeelhouders aanwijzingen te geven centraal, in het arrest inzake Mast Holding was dat de gehoudenheid van het bestuur die aanwijzingen op te volgen.10 Bestuurder Meijers was door de algemene vergadering van aandeelhouders van Mast Holding ontslagen omdat hij weigerde het beleid uit te voeren dat de algemene vergadering voorstond. Meijers beriep zich ter rechtvaardiging van zijn weigering op de vennootschapsrechtelijke verdeling van bevoegdheden in de artt. 2:239 en 2:217 BW. Daaruit zou geen gehoudenheid voortvloeien het door de algemene vergadering gewenste beleid uit te voeren. De Hoge Raad oordeelde anders. Weigert een bestuurder het door de algemene vergadering gewenste beleid uit te voeren, dan kan dat, afhankelijk van de aard van het gewenste beleid en van de overige omstandigheden van het geval, een redelijke grond voor ontslag opleveren. Sommigen11 zien in het arrest inzake Sobi- Hurks een volgende stap, nu de Hoge Raad in r.o. 5.3.8.3 overwoog dat het middel terecht tot uitgangspunt nam dat ‘tenzij de statuten van de dochtermaatschappij daaromtrent enige andersluidende bepaling bevatten, het bestuur van een moedermaatschappij niet de bevoegdheid heeft bindende instructies te geven aan het bestuur van de dochtermaatschappij’.12 De Hoge Raad maakt hier inderdaad geen onderscheid tussen algemene beleidsinstructies, waar het in Ogem en Mast Holding nog om ging, en concrete instructies.13 Dat rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat de Hoge Raad het geven van concrete instructies toelaatbaar acht, indien de statuten de bevoegdheid tot het geven daarvan toekennen aan de algemene vergadering. De Hoge Raad (her)formuleert hier slechts hetgeen in het incidentele cassatieberoep door eiseres tot uitgangspunt was genomen. Wel heeft het er de schijn van dat de Hoge Raad voor het oordeel over de toelaatbaarheid van het feitelijk afdwingen van een instructie de inhoud daarvan en niet de bevoegdheid die instructie te geven bepalend acht.14
Dat het Forumbank-arrest inmiddels aan belang heeft ingeboet, ben ik met diverse schrijvers eens.15 Dit is echter niet zozeer een gevolg van de invoering van art. 2:129/239 lid 4 BW, en voordien met § 9 van de Richtlijnen, maar van de koers die de Hoge Raad in zijn arresten inzake Ogem, Mast Holding en Sobi/Hurks heeft uitgezet. Deze koers kenmerkt zich door een verschuiving van instructierecht naar instructiemacht, een term die men onder meer treft bij De Jongh.16 Met § 9 van de richtlijnen en met art. 2:129/239 lid 4 blijft de hoofdregel van het Forumbank-arrest, nl. dat de algemene vergadering zijn bij de wet en de statuten gestelde grenzen niet mag overschrijden, onaangetast. Wel is het terrein waarop de algemene vergadering zich kan bewegen verruimd. Indien instructiemacht evenwel de boventoon gaat voeren ten opzichte van instructiebevoegdheid, boet het arrest wél aan waarde in. De algemene vergadering begeeft zich met uitoefening van die macht namelijk al snel op een terrein waar hij op zich genomen niet bevoegd is. Van een eerherstel dat Raaijmakers17 in de ASMI-uitspraak van de Hoge Raad18 meent te kunnen zien, lijkt mij echter evenmin sprake. De Hoge Raad bevestigt daarin slechts wat nog steeds de grenzen van de instructiebevoegdheid van de algemene vergadering zijn. Zou men willen spreken van eerherstel, in de zin dat het belang van het Forumbankarrest weer toeneemt, dan zou de feitelijke afdwingbaarheid van instructies aan verdergaande beperkingen onderwerpen moeten worden dan in de zaken Ogem, Mast Holding en Sobi. Wat daarvan zij, het Forumbank-arrest behoudt zijn relevantie in met name die gevallen waarin de algemene vergadering instructies niet kán afdwingen door bestuurders te ontslaan en nieuwe bestuurders te benoemen. Dat doet zich onder meer voor indien voor ontslag van bestuurders (en commissarissen) een gekwalificeerde meerderheid vereist is of indien benoeming geschiedt op een bindende voordracht waarvan slechts met een gekwalificeerde meerderheid kan worden afgeweken.19 Bij toepassing van het structuurregime is een complicatie gelegen in het feit dat de aandeelhouders slechts via de lastige omweg van het opzeggen van het vertrouwen in de gehele raad van commissarissen vervanging van bestuurders kunnen bewerkstelligen. Wil de (groot)aandeelhouder instructies afdwingen, dan zal hij een instructierecht in stelling kunnen brengen. Het Forumbank-arrest kan dan in tweeërlei opzicht van belang zijn. Enerzijds biedt het arrest een bestuur dat zich terecht tegen uitvoering van een instructie verzet, een handvat in de discussie die dan met de aandeelhouder zou kunnen ontstaan. Anderzijds biedt het arrest een aandeelhouder die zich terecht op een instructierecht beroept een handvat ten opzichte van een weigerachtig bestuur. Dit laatste zien we, hoewel de rechter oordeelde dat in dat geval geen instructierecht bestond, in de procedures inzake Stork en ASMI.20
Door onder meer de Commissie-De Kluiver21 , die de regering in 2004 adviseerde over herziening van het BV-recht, is bepleit om, in het bijzonder ten behoeve van concerns, de bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders ook formeel22 te verruimen tot het geven van concrete instructies.23 De wetgever heeft aan die suggestie gevolg gegeven door in het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht24 lid 4 van art. 2:239 BW te wijzigen. De statuten kunnen thans bepalen het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan, en dat het gehouden is deze op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.25 Het opnemen van een ‘tenzij’-bepaling was reeds gesuggereerd door de Commissie- De Kluiver, die daarin een extra legitimatie voor het bestuur zag om concernbesluiten niet of niet zonder meer uit te voeren. Men kan daar ook anders over denken. Het bestuur van de dochter zal zich in de praktijk ter rechtvaardiging van haar handelen eerder beroepen op het uitgangspunt dat hij instructies zal hebben op te volgen dan dat hij zich met een beroep op het vennootschappelijk belang aan het concernbeleid onttrekt. Bedacht dient namelijk te worden dat het bestuur aannemelijk zal hebben te maken dat het vennootschappelijk belang zich tegen het opvolgen van de instructie verzet.26 Terecht zien Bartman/Dorresteijn het vennootschappelijk belang, dat van de door haar in stand gehouden onderneming daaronder begrepen, in de nieuwe regeling (kort gezegd: ‘opvolgen, tenzij’) dan ook nog slechts als een correctiefactor op het concernbelang.27