Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.2.2.3
3.2.2.3 Het criterium ‘in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend’ in relatie tot art. 6 lid 1 van Richtlijn 2001/23
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488618:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, PbEG L 61.
Kamerstukken II 1979-1980, 15 940, nr. 3, p. 4: ‘Het lijkt ons, dat deze bepaling niet noopt tot aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden. Immers de onderneming, in de zin van die wet omschreven als «in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht», blijft in de hypothese van het artikel als eenheid in stand. Er ontstaat geen nieuwe onderneming in de zin van de Wet op de ondernemingsraden en er vindt dus ook geen verandering in de positie en functie van de ondernemingsraadsleden plaats.’.
Kamerstukken II 2000-2001, 27 469, nr. 3, p. 2.
We zien dit ook in de Nadere Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer: ‘Ook is het mogelijk dat de onderneming van de vervreemder een ondernemingsraad heeft en die van de verkrijger niet (omdat deze bijvoorbeeld minder dan 50 werknemers heeft) en bovendien de onderneming van de vervreemder als afzonderlijke onderneming blijft bestaan in het samenstel van ondernemingen die de ondernemer in stand houdt. In een dergelijk geval blijft de ondernemingsraad bestaan van de onderneming die een ondernemingsraad had.’ (Kamerstukken I 2001-2002, 27469, nr. 163b, p. 2).
Vzngr. Rechtbank Leeuwarden, 14 oktober 2009, JAR 2009/281 (Skewiel Trynwâlden).
Beltzer en Zaal (2009, p. 406) vragen zich terecht af de wetgever, indien sprake is van een onderneming die na overdracht als eenheid blijft bestaan, aan zijn implementatieverplichting kan voldoen met de stelling dat de ondernemingsraad van de overnemer ook de ‘nieuwe’ werknemers vertegenwoordigt.
Voor het onderdeel zou een onderdeelcommissie kunnen zijn ingesteld. Ik acht in het systeem van de WOR echter uitgesloten dat die commissie met het onderdeel naar de verkrijger overgaat, indien niet de gehele onderneming en de daarvoor ingestelde ondernemingsraad overgaan.
OK 31 juli 2008, ARO 2008, nr. 151 (Tickets & Service NS Reizigers). De ondernemingsraad van NS Reizigers, waarvan het onderdeel Tickets & Service deel was gaan uitmaken, voelde er niets voor de binnen Tickets & Service levende bezwaren tegen een bepaald (voorgenomen) besluit bij de ondernemer resp. bij de Ondernemingskamer naar voren te brengen.
Dat een organisatorisch verband in de maatschappij als zelfstandige eenheid naar buiten moet optreden om te kunnen spreken van een onderneming in de zin van de WOR, heeft ook gevolgen voor de medezeggenschap van werknemers na de overgang van de onderneming of van een onderdeel daarvan. De hoofdregel van art. 6 lid 1 van Richtlijn 2001/23/EG is dat de positie en de functie van de vertegenwoordigers of vertegenwoordiging van de bij overgang betrokken werknemers behouden blijft, indien de onderneming, de vestiging of een deel van de onderneming of de vestiging als eenheid blijft bestaan. Bij gelegenheid van de implementatie van Richtlijn 77/187/EEG1 , een voorloper van Richtlijn 2001/23/EG, heeft de wetgever overwogen dat geen aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden nodig was, omdat het behoud van de betreffende rechten daarin al voldoende gewaarborgd was.2 Vergelijkbare geruststellende woorden lezen we in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn 2001/23.3 De wetgever miskent hier dat de schoen van de Richtlijn in twee opzichten wringt met de voet van de in de WOR geregelde medezeggenschap. Ten eerste bepaalt de Richtlijn dat de medezeggenschap behouden blijft indien de onderneming als eenheid als zodanig blijft bestaan. Voor het zijn van onderneming in de zin van de Richtlijn doet niet terzake of die eenheid in het maatschappelijk verkeer als zodanig optreedt. De wetgever spreekt echter consequent van de eenheid die als onderneming blijft bestaan.4 Bedoeld is hier: ‘als onderneming in de zin van de WOR’. Blijkens de definitie in art. 1 lid 1 en onder c WOR is de WOR-onderneming méér dan een eenheid; de eenheid moet ook nog eens als zodanig in de maatschappij optreden. In het zojuist besproken geval van Skewiel Trynwâlden5 zagen we wat dit voor gevolgen kan hebben bij overgang van een onderneming in de zin van de Richtlijn. Als de eenheid blijft bestaan, maar deze niet meer als zodanig in de maatschappij herkenbaar is, is na de overgang geen sprake meer van een onderneming in de zin van de WOR. De ondernemingsraad houdt dus op te bestaan. Dat verdraagt zich niet met het in de Richtlijn bedoelde behoud van rechten, zelfs niet indien de verkrijger reeds een ondernemingsraad zou hebben ingesteld die óók de overgekomen werknemers zou gaan vertegenwoordigen.6 Ook hier zou het schrappen van de woorden ‘in de maatschappij’ in art. 1 lid 1 en onder c WOR uitkomst kunnen bieden. Een tweede knelpunt is hierin gelegen dat, behoudens het uitzonderlijke geval als bedoeld in art. 4 lid 1 WOR, een onderdeel of een vestiging voor toepassing van de WOR niet een zelfstandige eenheid is waarvoor een medezeggenschapsorgaan is ingesteld dat naar de verkrijger zou kunnen overgaan.7 Met name indien het onderdeel na de overdracht wel als eenheid blijft bestaan maar bij de verkrijger, anders dan bij de vervreemder, geen ondernemingsraad is ingesteld, zal dus afbreuk worden gedaan aan het in de Richtlijn bedoelde behoud van rechten. Zelfs indien bij de verkrijger wél een ondernemingsraad is ingesteld, zou in de beleving van werknemers sprake kunnen zijn van een verlies van rechten, indien en zolang de in het onderdeel werkzame personen de leden van die ondernemingsraad niet mede hebben kunnen kiezen. Dit speelde, naar ik aanneem, onder meer in de zaak OR Tickets & Service.8