Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.2.2.1
3.2.2.1 ‘zelfstandige eenheid’
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488616:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Vzngr. Rechtbank Leeuwarden, 14 oktober 2009, JAR 2009/281 (Skewiel Trynwâlden). Dat sprake was van een zelfstandige eenheid, motiveerde de voorzieningenrechter als volgt: ‘5.5 … De locatie Skewiel verzorgt haar zorg rechtstreeks aan de hulpbehoevenden, in die zin dat … de concrete invulling en verlening van de zorg aan cliënten door Skewile naar eigen inzicht plaatsvindt. De (nog te benoemen0 locatiemanager wordt verantwoordelijk voor deze invulling en is als zodanig met de benodigde bevoegdheden uitgerust, … . Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat na het samengaan van Tellens en Skewiel het – van de rest van Tellens afwijkende – zorgconcept van Skewiel, waarbij op een bijzondere wijze extramurale zorg wordt verleend aan cliënten in de regio Trynwâlden – in stand blijft.’.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 11.
Ktr. Groningen 28 mei 2004, JAR 2004/197.
Van een onderdeel in de zin van art. 15 lid 3 WOR is sprake wanneer een groep van de tot die onderneming behorende personen binnen die onderneming op zichzelf een afzonderlijk organisatorisch verband vormen, zonder dat die groep als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreedt (Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 6, p. 25). Uit deze beschrijving blijkt ook dat voor het bestaan van een organisatorisch verband om onderdeel te zijn niet vereist is dat het verband op managementniveau wordt aangestuurd. Aansturing bij de uitvoering van de arbeid volstaat. Ik zou menen dat voor het organisatorisch verband in de zin van art. 1 lid 1 en onder c WOR hetzelfde geldt.
Ktr. Utrecht 10 oktober 1984, ROR 1985, nr. 2.
Ktr. Utrecht 23 december 1987, Prg. 1989, 3070.
Niet elke eenheid waar krachtens arbeidsovereenkomst wordt gewerkt, niet elk organisatorisch verband derhalve, is een onderneming. Wil men kunnen spreken van een onderneming, dan moet sprake zijn van een zelfstandige eenheid, dat wil zeggen van een eenheid die als een op zichzelf staande, volwaardige entiteit functioneert.1 Met het stellen van de voorwaarde dat het organisatorisch verband een zelfstandige eenheid moet zijn, wordt voorkomen dat ieder onderdeel van een bepaalde arbeidsgemeenschap, dat op zichzelf een zekere eenheid vormt, als een onderneming in de zin van de wet zou kunnen of zou moeten worden beschouwd.2 Zou dat het geval zijn, dan zou medezeggenschap op een niveau vorm gegeven worden waar maar in zeer beperkte mate zeggenschap wordt uitgeoefend die het waard is om door de ondernemingsraad beïnvloed te worden. Voorbeelden van onderdelen die men een zekere zelfstandigheid kan toedichten zonder dat daarmee sprake is van een onderneming, zijn de bottelarij in de brouwerij, de sales-afdeling van een groothandel in automaterialen, de afdeling Burgerzaken van een grote gemeente, de IC-afdeling in een ziekenhuis, enz. Deze onzelfstandige onderdelen vormen tezamen met andere onzelfstandige onderdelen de onderneming.
Het organisatorisch verband en de zelfstandigheid daarvan worden nogal eens met elkaar verward. Een voorbeeld biedt een uitspraak van de kantonrechter Groningen inzake Arriva Groningen.3 Eerst overweegt de kantonrechter dat voor de vraag of Arriva Groningen een georganiseerd verband is, een groep personen onder een bepaalde leiding en op een bepaalde locatie samen dient te werken. Op dat uitgangspunt valt niets af te dingen. Vervolgens oordeelt hij echter dat van een organisatorisch verband in het betreffende geval geen sprake is, nu Arriva Groningen geen management heeft met eigen bevoegdheden in de sfeer van besluitvorming en nu het financiële, commerciële, sociale, logistieke en strategische beleid vanuit Heerenveen wordt bepaald. Op deze motivering, en dus op het oordeel dat geen sprake is van een organisatorisch verband, valt wél het nodige af te dingen. Stuk voor stuk gaat het om argumenten die geen of die niet zozeer betrekking hebben op het bestaan van een organisatorisch verband, maar op de zelfstandigheid van dat verband. Zou men het oordeel van de kantonrechter consequent doortrekken, dan zou voor Arriva Groningen ook geen onderdeelcommissie ingesteld kunnen worden.4 Dat gaat een stap te ver. Arriva Groningen is wél een organisatorisch verband, maar is geen zelfstandige eenheid.
Een tweede voorbeeld betreft een uitspraak van de kantonrechter Utrecht inzake NS-station Nijmegen.5 De kantonrechter vangt de toetsing aan de criteria van art. 1 lid 1 en onder c WOR aan met de zinsnede ‘Als eerste vereiste noemden wij het organisatorisch verband’, om vervolgens na de opsomming van een aantal feiten en omstandigheden tot de conclusie te komen dat ‘van een eenheid veeleer sprake is op rayon-niveau’.Organisatorisch verbandeneenheidworden ook hierdoor elkaargebruikt. Wellicht aangemoedigd door de overweging dat een eenheid bestond op rayon-niveau, heeft de Federatieve Spoorweg Vakvereniging dezelfde kantonrechter in een nieuwe procedure verzocht te bepalen dat het rayon Arnhem een onderneming is. In een tussenvonnis maakt de kantonrechter nu wel een juist onderscheid tussen het organisatorisch verband (waarvan volgens hem sprake is) en de in de maatschappij optredende zelfstandige eenheid, waarover hij nader door partijen ingelicht wenst te worden.6