De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/3.7.3:3.7.3 Hoe actief beproeft de rechter een schikking?
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/3.7.3
3.7.3 Hoe actief beproeft de rechter een schikking?
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS369120:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De voorgehouden factoren zijn gebaseerd op eerder Amerikaans onderzoek van Rude en Wall (1988), Ryan e.a. (1980) en Wall e.a. (1984). Een korte beschrijving van deze studies is opgenomen in Van der Linden e.a. (2009).
De rechters hebben deze stelling alleen na hun eerste onderzochte zitting beantwoord, maar dat antwoord is bij al hun onderzochte zittingen meegenomen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechters zijn bij de ene zaak actiever in het beproeven van een schikking dan bij de andere zaak. Waardoor wordt dat bepaald? Door de hoogte van de vordering? Door de al dan niet cooperatieve opstelling van partijen? Door andere factoren? In de vragenlijsten en de daarop aansluitende interviews is dit aan de rechters van de onderzochte zittingen gevraagd. De resultaten komen in deze paragraaf aan de orde. Hierbij moet voorop worden gesteld dat het om de percepties van de onderzochte rechters gaat.
Allereerst is in de vragenlijst gevraagd aan de rechters hoe actief zij zich (tijdens de zitting die net achter rug was) hadden opgesteld. Daartoe is hen de volgende stelling voorgelegd: ‘hoeveel tijd en energie heeft u gestoken in het beproeven van een schikking tijdens deze comparitie na antwoord?’ De rechters konden antwoord geven op een 7-puntsschaal (1 = heel weinig, 7 = heel veel) (tabel 33). De gemiddelde score was 4.00, maar hoe actief de rechter is bij het beproeven van een schikking verschilt sterk per zaak. Dit blijkt uit de relatief hoge standdeviatie (1.81) en de (grote) spreiding van de antwoorden over de verschillende categorieën in de tabel.
Antwoord
Abs
%
1 Heel weinig
17
11.3
2
21
14.0
3
20
13.3
4
28
18.7
5
25
16.7
6
29
19.3
7 Heel veel
10
6.7
Totaal
150
M = 4.00
SD = 1.81
100.0
Vervolgens is in de vragenlijst aan de rechter gevraagd welke factoren hebben bepaald hoe actief hij zich bij het beproeven van een schikking heeft opgesteld. Daarbij zijn de factoren uit de linker kolom van tabel 34 aan de rechter voorgehouden en is hem gevraagd welke van die factoren van invloed waren op zijn (al dan niet) actieve opstelling ter zitting.1 De antwoorden hiervan zijn weergegeven in de tweede kolom van tabel 34. De rechter had daarnaast de mogelijkheid om de categorie ‘overig’ aan te kruisen en toe te lichten welke andere factor(en) nog een rol had(den) gespeeld bij hoe actief hij zich opstelde. Op deze overige factoren kom ik aan het eind van deze paragraaf nog terug.
Op basis van de tweede kolom is echter niet duidelijk, wat het precies betekent als een rechter heeft aangegeven dat bijvoorbeeld de hoogte van de vordering (factor 4) van belang was. Uit die kolom komt wel naar voren dat de hoogte van de vordering in 43 van de 150 zittingen van invloed was op hoe actief de rechter zich opstelde. De vraag is echter of de rechter zich actiever opstelt naarmate de vordering hoger is of dat hij bij een hogere vordering juist minder actief een schikking beproeft. Tijdens de interviews is steeds gevraagd naar deze verbanden. De resultaten daarvan zijn weergegeven in de derde kolom van tabel 34. In die kolom is onder ‘conclusie’ ook steeds de belangrijkste lijn van de resultaten weergegeven.
Factor
Abs
Richting waarin factor invloed uitoefent
1.De mate waarin partijen zich redelijk en cooperatief opstellen
66
30: als beide partijen zich cooperatief opstellen dan actiever; 5: als minstens één partij cooperatief is dan actiever;
29: als minstens één partij niet cooperatief is dan minder actief;
(2: partijen waren cooperatief maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (30+29): De rechter is actiever naarmate partijen zich coöperatiever opstellen.
2.De mate waarin de standpunten van partijen
van elkaar verwijderd zijn
64
4: als de standpunten verder verwijderd zijn dan actiever;
41: als de standpunten verder verwijderd zijn dan minder actief;
17: als de standpunten minder ver verwijderd zijn dan actiever;
(2: de standpunten zijn ver verwijderd, maar op zichzelf niet meer of
minder actief).
Conclusie (41+17): De rechter is actiever naarmate de standpunten
van partijen minder ver verwijderd zijn.
3. De soort zaak
59
14: als geschil tussen ex-echtelieden (m.n. boedelverdeling) dan actiever;
1: boedelverdeling waar alles draaide om woning die al verkocht moest worden dan minder actief;
4:als (hoge) emoties spelen dan actiever;
5:als burenruzie dan actiever;
3: als nalatenschap dan actiever;
1:als nalatenschap maar zonder relatie tussen partijen dan minder actief;
2:als letselschadezaak dan actiever;
4: als weinig juridische of feitelijke duidelijkheid dan actiever;
1:als weinig juridische of feitelijke duidelijkheid dan minder actief;
2:als uitkomst duidelijk dan actiever;
2: als uitkomst niet eerlijk dan actiever;
4: als principezaak voor 1 van de partijen dan minder actief;
1: als principezaak waarbij het aanbrengen van zaak eiser al voldoende voldoening gaf dan actiever;
5: restcategorie zaken (bijv lease, bouw, hennep) waarbij de rechter actiever is;
3: restcategorie zaken (bijv hennep) waarbij de rechter minder actief is;
(1: geschil tussen echtelieden dan op zichzelf niet meer of minder actief);
(1: burenruzie, maar op zichzelf niet meer of minder actief);
(1:aandelenlease, maar op zichzelf niet meer of minder actief);
(2:bouwzaak, maar op zichzelf niet meer of minder actief); (1: letselschadezaak, maar op zichzelf niet meer of minder actief); (1: principezaak voor beide partijen, maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (14+5+3+4+2): De rechter is actiever als partijen een persoonlijke relatie hebben met elkaar (boedelverdeling, buren, nalatenschap) of er emoties (hoge emoties, letselschade) een rol spelen.
4. De hoogte van de vordering
43
2: als de vordering hoger is dan actiever;
8: als de vordering hoger is dan minder actief;
28: als de vordering lager is dan actiever;
(5: lage vordering, maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (8+28): De rechter is actiever als de vordering lager is.
5. De waarschijnlijke duur van de procedure na deze zitting
42
34: als de waarschijnlijke duur langer is dan actiever;
4: als de waarschijnlijke duur korter is dan minder actief;
(4: de waarschijnlijke duur is langer, maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (34): De rechter is actiever als de waarschijnlijke duur van procedure na de zitting langer is.
6. De mate waarin advocaten zich redelijk en cooperatief opstellen
40
21: als beide advocaten cooperatief dan actiever;
9: als minstens één advocaat cooperatief is dan actiever;
7: als minstens één advocaat niet cooperatief is dan minder actief; (3: beide advocaten cooperatieve opstelling, maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (21+7): De rechter is actiever naarmate advocaten zich cooliperatiever opstellen.
7. De verwachting van de rechter voor aanvang van de zitting dat een schikking mogelijk zou moeten zijn
39
32: als de rechter hogere verwachtingen heef dan actiever;
5: als de rechter lagere verwachtingen heeft dan minder actief; 1: als de rechter hogere verwachtingen heeft dan minder (want partijen waren het al eens voor binnenkomst);
(1: hoge verwachtingen, maar op zichzelf niet meer of minder actief). Conclusie (32+5): De rechter is actiever naarmate zijn verwachtingen dat een schikking mogelijk zou moeten zijn, hoger zijn.
8. De complexiteit van de zaak
30
11: als de zaak complexer is dan actiever;
11: als de zaak complexer is dan minder actief;
6: als de zaak minder complex is dan actiever; 1: als de zaak minder complex is dan minder actief; (1: complexe zaak, maar op zichzelf niet meer of minder actief). Conclusie (11+6): Niet eenduidig, maar het lijkt erop dat de rechter actiever is naarmate de zaak minder complex is.
9. Het gevoel van de rechter dat een beslissing geen echte oplossing van het probleem is
28
27: als beslissing geen echte oplossing van het probleem is dan actiever;
1: als beslissing geen echte oplossing van het probleem is dan minder actief omdat rechter inzette op doorverwijzing naar mediabon, wat lukte.
Conclusie (27): De rechter is actiever als een beslissing geen echte oplossing voor het probleem is.
10. De kennis/ expertise van de rechter in dit soort zaken
20
13: als de kennis van de rechter beter is dan actiever;
4: als de kennis van de rechter minder goed is dan minder actief (o.a. omdat hij dan ziet dat schikking proberen geen zin heeft);
(3: kennis van de rechter is goed, maar op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie (17): De rechter is actiever naarmate zijn kennis/expertise beter is.
11. Het aantal partijen dat de rechter vraagt hen te helpen met het bereiken van een schikking
16
12: als één of beide partijen vraagt te helpen dan actiever; 4: als niemand vraagt te helpen dan minder actief.
Conclusie (12+4): De rechter is actiever als partijen hem vragen te helpen bij het bereiken van een schikking.
12. De onderhandelings- vaardigheden van de advocaten
14
9: als de onderhandelingsvaardigheden beter zijn dan actiever;
1:als de onderhandelingsvaardigheden beter zijn (maar zeggen ‘partijen willen dit niet’) dan minder actief;
2:als de onderhandelingsvaardigheden minder goed zijn dan actiever; 2: als de onderhandelingsvaardigheden minder goed zijn dan minder actief.
Conclusie (9+2): De rechter is actiever naarmate de onderhandelingsvaardigheden van advocaten beter zijn.
13. De mate van machtsverschil tussen partijen
8
6: als het machtsverschil groter is dan actiever;
2: als het machtsverschil groter is dan minder actief.
Conclusie (6+2): De rechter is actiever naarmate het machtsverschil tussen partijen groter is.
14. De ervaring van de advocaten
8
3: Als de advocaten veel ervaring hebben dan actiever;
1:Als de advocaten veel ervaring hebben (en zeggen ‘partijen willen dit niet’) dan minder actief;
2:als de advocaten weinig ervaring hebben dan actiever; (2: de advocaten hadden veel ervaring, op zichzelf niet meer of minder actief).
Conclusie: niet eenduidig.
15. Het verschil in competentie tussen de twee advocaten
6
5: als het verschil in competentie groter is dan actiever;
1: als het verschil in competentie groter is dan minder actief. Conclusie (5): De rechter is actiever als het verschil in competentie tussen de twee advocaten groter is.
16. De waarschijnlijke tijdsduur van het schrijven van een vonnis
4
3: als de waarschijnlijke duur langer is dan actiever;
1: als de waarschijnlijke duur korter is dan minder actief. Conclusie (4): De rechter is actiever naarmate de waarschijnlijke tijdsduur van het schrijven van een vonnis langer is.
17. De beschikbare voorbereidingstijd
2
2: als meer voorbereidingstijd dan actiever.
Conclusie (2): De rechter is actiever naarmate de beschikbare voorbereidingstijd groter is.
18. De stapel ander werk die nog ligt te wachten op de rechter
2
2: als de stapel werk groter is dan actiever.
Conclusie (2): De Rechter is actiever naarmate de stapel ander werk die nog ligt te wachten op de rechter, groter is.
Wat kan uit tabel 34 geconcludeerd worden? Rechters stellen zich (naar eigen zeggen) vooral actiever op bij het beproeven van een schikking als partijen zich op de zitting cooperatief opstellen (factor 1), als de standpunten van partijen minder ver van elkaar verwijderd zijn (factor 2), bij een bepaald soort zaken (verdelingszaken, zaken met veel emoties, factor 3), als de vordering lager is (factor 4), als de waarschijnlijke duur van de procedure na afloop van de zitting langer is (factor 5) en als advocaten zich op de zitting cooperatief opstellen (factor 6). Een aantal rechters geeft aan, dat zij actiever een schikking beproeven als zij het gevoel hebben dat een beslissing geen echte oplossing van het probleem is (factor 9). In box 7 is een aantal antwoorden van deze rechters opgenomen om aan te geven, wanneer zij van mening zijn dat een beslissing geen echte oplossing van het probleem is. Er is echter ook een aantal factoren uit tabel 34 dat volgens de onderzochte rechters nauwelijks van belang is voor de vraag hoe actief zij zich opstellen bij het beproeven van een schikking. Dat betreft factoren zoals de waarschijnlijke tijdsduur van het schrijven van een vonnis (factor 16), de beschikbare voorbereidingstijd (factor 17) en de stapel ander werk die nog op de rechter ligt te wachten (factor 18). De vraag is echter wel in hoeverre deze antwoorden door rechters als sociaal onwenselijk werden gezien en daarom niet zijn aangekruist.
Box 7: Waarom vond de rechter dat een vonnis geen echte oplossing voor het probleem was (factor 9 uit tabel 34)?
Een beslissing was in dit geval naar mijn gevoel geen echte oplossing van het probleem omdat...
1. partijen naar mijn gevoel allebei de waarheid spreken en wie de bewijsopdracht kreeg, zou verliezen.
2. het een familierelatie betrof en voor enig herstel daarvan leek het mij goed als het geschil snel afgelopen zou zijn.
3. het alleen ging om de vordering van de man, maar de discussie over achterstallige alimentatie met een vonnis de wereld niet uit zou zijn, terwijl dit wel met een schikking opgelost zou kunnen worden.
4. de verkopers van het huis zich aangetast voelden in hun eer en die eer zal niet hersteld worden met een vonnis.
5. gedaagde met een vonnis nog steeds niet zou kunnen betalen.
6. deze verdeling eigenlijk geen juridisch probleem was, maar meer een psychologisch probleem bij de vrouw. Dat zou niet worden opgelost met een vonnis.
7. het slachtoffer met een vonnis een duw zou krijgen en mogelijk in hoger beroep zou gaan. Een schikking is dan een betere oplossing.
8. als ze zouden doorgaan eiser een bewijsopdracht zou krijgen die niet te bewijzen zou zijn. Dan zou ik de eis moeten afwijzen en zou daarmee de toedracht van het ongeval nog steeds niet vaststaan.
9. er nauwelijks juridische vragen waren waar partijen antwoord op wilden. Het aanbrengen van de zaak gaf voor eiser mijns inziens al voldoening op zich. Het was slechts nog een onderhandelingskwestie.
De rechters hadden de mogelijkheid om naast de factoren die hen werden voorgehouden, de categorie ‘overig’ aan te kruisen en aan te geven welke aanvullende factor(en) een rol hadden gespeeld bij de opstelling van de rechter bij het beproeven van een schikking De factoren die vijf of meer keer zijn genoemd door de onderzochte rechters zijn weergegeven in tabel 35. Rechters geven aan, dat zij zich actiever opstellen bij het beproeven van een schikking naarmate het minder duidelijk is dat de vordering wordt toe- of afgewezen (factor 1), naarmate de rechter de kans op een schikking ter zitting hoger inschat (factor 4) en als partijen in de toekomst ook nog met elkaar te maken hebben (factor 6). Verder blijken rechters zich juist minder actief op te stellen als nog niet alle relevante informatie over de zaak beschikbaar is (factor 2) en als er maar één partij verschenen is (factor 3). Hoewel het aantal keer dat deze factoren genoemd zijn, relatief laag is, zou het — nu deze factoren niet aan alle rechters zijn voorgehouden en sommige rechters misschien niet aan deze factoren gedacht hebben — best kunnen zijn dat deze factoren in werkelijkheid een grotere rol spelen dan men (mogelijk) op basis van de aantallen in tabel 35 zou denken.
Factor
Abs
Richting waarin factor invloed uitoefent
1. De kans van slagen van de vordering
12
1: als de kans van slagen groot is, dan actiever;
4:als de kans van slagen groot is, dan minder actief;
6: als de kans van slagen klein is, dan minder actief;
1: als de kans van slagen onduidelijk is (het kan twee kanten op), dan actiever.
Conclusie (4+6+1): De rechter is actiever naarmate het minder duidelijk/zwart-wit is dat vordering wordt toe- of afgewezen.
2. De hoeveelheid beschikbare informatie over de zaak
7
6: als er nog relevante informatie ontbreekt, dan minder actief;
1: als er nog relevante informatie ontbreekt, dan actiever (zodat partijen als die info er eenmaal is, het samen kunnen regelen).
Conclusie (6): De rechter is minder actief als er nog relevante informatie ontbreekt.
3. Er is slechts één partij verschenen
5
5:als er slechts één partij verschenen is dan minder actief. Conclusie (5): De rechter is minder actief als er slechts één partij is verschenen.
4. Inschatting slagingskans van een schikking ter zitting
5
2: als de rechter ter zitting denkt dat de slagingskans hoog is dan actiever;
1:als de rechter ter zitting denkt dat de slagingskans laag is, dan actiever (in verband met open opstelling partijen);
2:als de rechter ter zitting denkt dat de slagingskans laag is, dan minder actief.
Conclusie (2+2): De rechter is actiever naarmate hij de kans op een schikking ter zitting hoger inschat.
5. Financiële problemen bij gedaagde
5
2:als gedaagde financiële problemen heeft dan actiever;
3:als gedaagde financiële problemen heeft dan minder actief. Conclusie (2+3): niet eenduidig.
6. Toekomstige verhouding tussen partijen
5
5: als partijen in de toekomst met elkaar te maken hebben, dan actiever.
Conclusie (5): De rechter is actiever als partijen in de toekomst nog met elkaar te maken hebben.
Ten slotte is de onderzochte rechters gevraagd naar hun taakopvatting ten aanzien van het beproeven van een schikking (tabel 36). Daarbij moet opgemerkt worden, dat van sommige rechters meerdere zittingen zijn onderzocht en hun antwoord op deze vraag meerdere keren is meegeteld in tabel 36.2 De gemiddelde score is 4.91 op een zevenpuntsschaal. Uit de tabel komt naar voren dat de rechters de categorieën 1 tot en met 3 niet of nauwelijks hebben ingevuld. Blijkbaar vinden de onderzochte rechters een vrij lijdelijke opstelling niet wenselijk.
Er is een lage positieve samenhang (r = .28) gevonden tussen de taakopvatting van de rechter (tabel 36) en hoe actief de rechter een schikking beproeft op de zitting (tabel 33). Dit is een aanwijzing dat rechters zich bij hun opstelling bij het beproeven van een schikking niet alleen laten leiden door de in tabel 34 en 35 genoemde factoren, maar ook (in enige mate) door de taakopvatting die zij ten aanzien van het beproeven van een schikking hebben.
Antwoord
Frequentie
Percentage
1 Heel weinig
0
0
2
0
0
3
9
6.0
4
46
30.7
5
49
32.7
6
39
26.0
7 Heel veel
6
4.0
Geen antwoord
1
0.7
Totaal
150
100.0
M = 4.91
SD = .99