Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.4.4
7.4.4 Vorderingsrechten
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383438:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie PG Boek 3 BW, TM, p. 392 en MvA II, p. 396. Het OBW kende deze constitutieve mededelingseis niet.
Zie voor de problematiek van de dubbele cessie naar Frans recht hierboven, p. 111.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28878, 3, p. 2 en 3.
De zogenoemde stille cessie is ingevoerd bij wet van 30 juni 2004, Stb. 2004, 314.
De mededeling is derhalve losgekoppeld van de geldige totstandkoming. Overigens houdt het in § 407 BGB genoemde criterium in dat de debiteur de cessie kent, terwijl naar Nederlands recht actief mededeling moet worden gedaan. Zie art. 3:94 lid 3 BW.
Zie hierboven de problematiek van de botsing van een Globalzession met een verlengd eigendomsvoorbehoud, p. 83.
Ook in de Duitse literatuur is men verdeeld over de wenselijkheid van publiciteit. Zie Baur-Stürner 2009, p. 967 en 968. Zie over de nadelen, waaronder het gebrek aan publiciteit, van de tot ontwikkeling gekomen zogenoemde atypische zekerheidsrechten Baur-Stürner 2009, p. 775 en 776.
Art. 3:239 lid 2 verklaart het tweede lid van art. 3:237 BW van overeenkomstige toepassing.
Zie over het betreffende art. 2075 (oud) Cc hierboven, p. 104.
Zie hierboven uitgebreid, p. 105.
Zie het rapport van de werkgroep Grimaldi, Rapport à Monsieur Dominique Perben, Garde des Sceaux, Ministre de la Justice, p. 13 waaruit volgt dat men heeft getracht de eisen van rechtszekerheid en doelmatigheid met elkaar te verzoenen, waarbij inspiratie is opgedaan bij de zogenoemde cession Dailly. Zie hierboven, p. 105.
Overigens wordt met het schriftelijkheidsvereiste beoogd de in de vorige voetnoot bedoelde rechtszekerheid te dienen.
Om de cessie aan enige vorm van publiciteit te onderwerpen is bij de invoering van het BW in 1992 gekozen voor een constitutief vereiste mededeling aan de debiteur van de overgedragen vordering.1 Daarmee is de mededeling niet alleen van belang om de cessie aan de debiteur van de vorderingte kunnen tegenwerpen – die moet immers weten aan wie hij bevrijdend moet betalen – maar tevens om de cessie jegens de schuldeisers van de cedent te kunnen doen gelden. Hiermee wordt duidelijk dat de mededeling maar een zeer betrekkelijke rol voor de kenbaarheid vervult. De mededeling is immers slechts gericht aan de debiteur van de vordering. De publiciteit waarborgt aldus – evenals naar Frans recht waar tot voor kort de cessie eerst na betekening dan wel erkenning bij authentieke akte door de debiteur absolute werking krijgt – slechts de belangen van de debitor cessus.2 De constitutief vereiste mededeling kan sinds 2004 – mede als gevolg van de bezwaren die vanuit praktisch en financieel oogpunt waren gerezen3 –worden vervangen door het opmaken van een authentieke of onderhands geregistreerde akte.4 Hiermee is de regeling van cessie meer in overeenstemming met het Duitse recht waar een vordering op grond van § 398 BGB bij vormvrije overeenkomst kan worden overgedragen. Aan de debitor cessus kan de cessie pas worden tegengeworpen nadat de cessie aan hem is medegedeeld.5
Met name in stelsels zoals het Duitse waarin de fiduciaire cessie een belangrijke positie in het kredietverkeer inneemt, treedt het gebrek aan publiciteit van de cessie – en dan in het bijzonder ten aanzien van andere schuldeisers – op de voorgrond. Hoewel het bij de fiduciaire cessie in theorie niet om prioriteitsconflicten kan gaan – een vorderingsrecht kan immers slechts eenmaal rechtsgeldig worden overgedragen – ontstaan er wel bewijsrechtelijke kwesties. Toekomstige vorderingen kunnen immers – zoals in de Duitse financieringspraktijk zeer gebruikelijk is – het object van meerdere zekerheidsrechten zijn.6 Aangezien in dat geval onder toepassing van de prioriteitsregel overdracht plaatsvindt aan de schuldeiser met het oudste recht is het van belang om het tijdstip van de – vormvrij tot stand gekomen – cessie vast te stellen. Een registratievereiste zou in dit kader niet zozeer een rol spelen voor de kenbaarheid van de overdracht als wel voor het tegengaan van misbruik in de vorm van bijvoorbeeld antedatering. Toch heeft de Duitse wetgever nimmer aanleiding gezien om de in zwang geraakte zekerheidsfiguur zonder enige publiciteit te verruilen voor een regeling van registerpandrecht. De gedachte lijkt te zijn dat de rechtspraktijk ermee uit de voeten kan.7
De verpanding van vorderingsrechten kan wel aanleiding geven tot prioriteitsconflicten. Naar Nederlands recht speelt in dit kader dezelfde problematiek als bij de stille verpanding van roerende zaken. De stille verpanding van een vordering geschiedt immers eveneens bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte. Jongere schuldeisers kunnen zich niet door raadpleging van de registers – deze zijn immers niet openbaar – van het bestaan van oudere stille pandrechten op de betreffende vordering vergewissen. Zij zullen erop moeten vertrouwen dat de pandgever zijn verplichting nakomt om in de akte te verklaren dat er geen oudere pandrechten op het goed rusten.8
Ter zake van de verpanding van vorderingen kan nog worden gewezen op de vernieuwde regeling van de nantissement naar Frans recht. Sinds 2006 is het vereiste van dépossession losgelaten dat ten aanzien van de verpanding van onlichamelijke zaken bestond uit betekening dan wel acceptatie bij authentieke akte door de debiteur van de verpande vordering.9 In het geval van een dubbele verpanding onder oud recht kon de debiteur van de verpande vordering aan de tweede pandhouder bij de acceptatie bij authentieke akte van diens pandrecht nog tegenwerpen dat hem reeds een eerdere betekening van een eerste verpanding had bereikt. Op deze manier kwam er nog enige vorm van publiciteit aan het eerdere pandrecht toe waardoor de rangorde tussen de schuldeisers op voorspelbare wijze tot stand kwam, al zal ingeval van een betekening de boodschap van de debiteur de tweede pandhouder niet bereiken. Het moge gelet op de invoering van het registerpand ten aanzien van roerende zaken verbazing wekken dat het Franse recht voor de verpanding van vorderingen iedere vorm van publiciteit heeft losgelaten. Een nantissement moet onder het huidige art. 2356 Cc schriftelijk worden overeengekomen en kan vanaf de datum van de akte aan derden worden tegengeworpen zonder dat aan enig vereiste van registratie behoeft te worden voldaan.10 Het aan zo min mogelijk formaliteiten onderwerpen van de verpanding – hetgeen onmiskenbaar ten koste gaat van de kenbaarheid – is ingegeven door de doelmatigheid.11 De Franse wetgever meent dat het financieringsverkeer is gebaat bij een eenvoudige wijze van verpanding die reeds effect heeft met de totstandkoming van de akte, het publiciteitsbeginsel ten spijt.12