Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.2.4
10.2.4 Het onderscheid tussen individualisering in het kader van oneigenlijke vermenging en specialiteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417157:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Mogelijk ook: Mertens, Recensie van: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, dissertatie Leiden 1997, Ars Notariatus LXXXIII, Amsterdam/Deventer 1997’, in: BR 1998, p. 1013.
Keukens & Wibier 2007, p. 903.
HR 12 januari 1968, NJ 1968/274 (Texeira de Mattos).
HR 10 februari 1978, NJ 1979/338 (Nieuwe Matex) m.nt. W.M. Kleijn.
R.o. 3.7 van HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée) m.nt. W.M. Kleijn.
Verstijlen, ‘Oneigenlijke vermenging tussen art. 3:109/119 en 150 Rv’, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar nieuw burgerlijk recht, Serie Onderneming en Recht, nr. 24, p. 467; Wichers 2002, p. 47-8; Smelt, ‘Oneigenlijke vermenging en het individualiseringsvereiste’, in: AA 52(2003)5, p. 348-354; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/163; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 171 en 287; Wichers verstaat onder individualiseren tevens dat een stoffelijk object op zichzelf moet staan, dat het niet op dient te gaan in een groter geheel wil het als zaak kunnen worden gekwalificeerd. Zie: Wichers 2002, p. 47. Deze invulling lijkt het individualiteitsbeginsel te raken, omdat individualisering niet mogelijk is bij bijvoorbeeld één eigendomsrecht op een kudde.
Deze stelling lijk ik ook uit Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 566 op te maken waarin zij schrijven dat een specifieke aanduiding van het registergoed zou voortvloeien uit het individualiseringsvereiste.
Vgl. Wichers 2002, p. 47-8.
Rongen wijst er op dat bepaaldheid niet hetzelfde is als ‘de bepaaldheidseis die in zijn algemeenheid geldt voor het geldend maken van goederenrechtelijke rechten en die inhoudt dat het bestaan van een goederenrechtelijk recht alleen dan kan worden aangenomen, indien voldoende duidelijk is op welk goed het recht betrekking heeft. Rongen 2012, nr. 795.
Vgl. Bauduin 2014, p. 182.
Sommige auteurs brengen het specialiteitsbeginsel ook in verband met oneigenlijke vermenging.1 Keukens en Wibier schrijven dat uit het specialiteitsbeginsel voortvloeit dat ‘men slechts goederenrechtelijke aanspraken kan geldend maken wanneer men kan aantonen op welke specifieke goederen men een goederenrechtelijk recht pretendeert.’2 Zij lijken hier te doelen op de jurisprudentie van de Hoge Raad over oneigenlijke vermenging.
In het Texeira de Mattos-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een eigenaar die zijn roerende zaak bij een ander opeist, moet bewijzen welke specifieke zaak hij als de zijne opeist.3 De gedaagde kan volstaan met gemotiveerd te ontkennen dat de zaak aan de eiser toebehoort. In het Nieuwe Matex-arrest wilden partijen met gebruikmaking van een ceel een bepaalde hoeveelheid benzeen in een opslagtank in eigendom overdragen. De hoeveelheid benzeen in de tank was echter groter dan de ‘overgedragen’ hoeveelheid benzeen. De Hoge Raad heeft expliciet overwogen dat bezit of eigendom niet mogelijk is van uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken.4 Ten slotte overwoog de Hoge Raad in het arrest Potharst/Serrée:
Nu voor het slagen van een rechtsvordering uit hoofde van een zakelijk recht noodzakelijk is dat de eiser stelt en zo nodig bewijst op welke individueel bepaalde zaken dat recht rust, was het ook in het onderhavige geval aan Potharst om te stellen en zo nodig te bewijzen welke individueel bepaalde meubelen ten behoeve van hem met pandrecht waren belast.5
De meerderheid van de literatuur noemt deze invulling van de bewijsplicht het individualiseringsvereiste of -beginsel.6 In geen van de bovenstaande arresten brengt de Hoge Raad dit vereiste in verband met het specialiteitsbeginsel. Om die reden alleen al moet de aanduiding van Keukens en Wibier van de hand worden gewezen. Daarnaast is de aanduiding van Keukens en Wibier onjuist en verwarrend. Het gebruik van het woord specialiteit in deze context lijkt te vooronderstellen dat een schuldeiser met een generaal zekerheidsrecht nooit aan het individualiseringsvereiste kan voldoen.7 Dat is natuurlijk niet zo. Een schuldeiser met een generaal pandrecht kan bewijzen – aan de hand van de pandakte – dat alle zaken bij de schuldenaar aan hem zijn verpand. Indien de aanduiding van het pandobject in een pandakte voldoet aan het bepaaldheidsvereiste, kan de (schuld)eiser bewijzen op welke goederen hij een absoluut recht heeft.
Het individualiseringsvereiste moet tevens worden onderscheiden van het individualiteitsbeginsel. Het individualiteitsbeginsel gaat uit van de gedachte dat iemand niet één recht op meer zaken tezamen kan hebben, zoals bijvoorbeeld één eigendomsrecht op een kudde als zodanig. Het individualiseringsvereiste stelt voorop dat een zakelijk gerechtigde die een zakelijke actie instelt, niet kan volstaan met het bewijs dat hij een zakelijk recht heeft op een van de aanwezige zaken. Hij zal moeten aangeven op welke specifieke zaak zijn recht rust. Indien hem dit niet lukt, is het niet zo dat hij geen eigendom heeft van een afzonderlijke zaak.8 Hij kan alleen niet bewijzen van welke zaak. Het individualiteitsbeginsel gaat met andere woorden uit van een systeemordenende gedachte, terwijl het individualiseringsvereiste een vraag naar bewijsrecht is.
De band tussen het bepaaldheidsvereiste en het individualiseringsvereiste is evident.9 Als een rechter mede aan de hand van de akte kan vaststellen welke zaken aan wie toebehoren of verpand zijn, kan de vordering van de schuldeiser ter opeising van de zaken slagen. Het bepaaldheidsvereiste (in de zin van een bepaald voorwerp van de levering) kan met andere woorden individualisering mogelijk maken.10