Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.6.2.5
5.6.2.5 Het optreden van het schadevergoedingsorgaan
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393603:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders Zie Feyock, Jacobsen & Lemor, (Lemor) 4. Teil - Unfälle mit Auslandsbezug - B. Unfälle von Inländern im Ausland, Bemerkung 32 met verwijzing naar Duitse literatuur.
Zie par. 633.2 onder a) en b).
In de overeenkomst tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen van 29 april 2002 zijn afspraken gemaakt over de verplichting van het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde om het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van vestiging van de verzekeraar te vragen om inlichtingen over de inhoud van het toe te passen recht. Zie nader par. 633.2 onder b) en 6333 onder b).
In paragrafen 5.2.9.1 en 53.4.1 is reeds uitvoerig aandacht besteed aan de verplichting van de verzekeraar en zijn schaderegelaar tot het doen van een aanbod dan wel van een met redenen omkleed antwoord waarom een aanbod nog niet tot de mogelijkheden behoort. In gevallen waarin de benadeelde inwoner is van een lidstaat en slachtoffer wordt van een ongeval in een andere lidstaat (en aan de overige voorwaarden van art. 20, met name het tweede lid is voldaan) kan hij zich tot het schadevergoedingsorgaan wenden als de verzekeraar dan wel zijn schaderegelaar niet aan deze verplichting hebben voldaan. Het schadevergoedingsorgaan "treedt op binnen twee maanden nadat de benadeelde zijn verzoek om schadevergoeding heeft ingediend (...)", aldus art. 24 lid 1, vijfde alinea van de Richtlijn. Het is moeilijk om te doorgronden wanneer het schadevergoedingsorgaan precies in actie moet komen, evenals het lastig is om vast te stellen wat de Richtlijn onder dit 'optreden' verstaat. De criteria die de Richtlijn daarvoor geeft zijn vaag en voor meerdere uitleg vatbaar. Evenzeer is de inhoud van het begrip 'optreden' vaag, omdat de Richtlijn niet helder is omtrent de bedoelingen ervan.
De vraag tot welke acties het schadevergoedingsorgaan verplicht is, is ook voor een effectief functioneren van het stelsel van bescherming van bezoekende slachtoffers van belang. In deze paragraaf wordt onderzocht wat de bedoeling van de Richtlijn in dit verband is. Een geharmoniseerde interpretatie van de Richtlijn is van belang, niet alleen omdat benadeelden dan weten waar zij aan toe zijn, maar ook omdat verzekeraars en schadevergoedingsorganen belang hebben bij een voorspelbare uitleg.
Het schadevergoedingsorgaan zal moeten 'optreden'. De Richtlijn laat in het midden of het schadevergoedingsorgaan zich eerst een oordeel moet vormen over de vraag of de verzekeraar inderdaad geen of een onvoldoende gemotiveerd antwoord heeft gegeven. Ik zou daarvan wel willen uitgaan. Daarvoor pleit dat de Richtlijn de gevallen waarin het schadevergoedingsorgaan optreedt tot uitzonderingssituaties wil beperken. Als eerste actie zal het schadevergoedingsorgaan de verzekeringsonderneming die de polis heeft afgesloten, het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van vestiging van deze verzekeraar en - indien deze bekend is - de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt ervan op de hoogte moeten stellen dat de benadeelde zich tot hem heeft gewend en dat het binnen twee maanden zal optreden. Zie voor een en ander art. 24 lid 1, vijfde alinea van de Richtlijn.
Het optreden zal zich - gedurende deze termijn van twee maanden waarbinnen de verzekeraar zijn verzuim kan herstellen door de benadeelde alsnog met redenen omkleed te antwoorden - daartoe moeten beperken. Elke inhoudelijke bemoeienis met het schadegeval kan immers al spoedig tot een conflict met de verzekeraar leiden.
Voorbeelden van situaties die tot conflicten kunnen leiden:
— De benadeelde heeft niet het gehele dossier overgelegd en de verzekeraar heeft wel degelijk een gemotiveerd, maar de benadeelde niet bevredigend antwoord gegeven.
— Het schadevergoedingsorgaan gaat over tot het laten uitvoeren van een expertise, maar de verzekeraar of diens schaderegelaar is daartoe reeds eerder ook overgegaan.
Pas nadat de termijn van twee maanden is verstreken zonder dat de verzekeraar alsnog met redenen omkleed heeft gereageerd op het verzoek om schadevergoeding, zal het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde tot inhoudelijke behandeling van het schadegeval kunnen overgaan. De Richtlijn bepaalt echter in art. 24 lid 1, vierde alinea, dat het schadevergoedingsorgaan zijn optreden staakt zodra de verzekeraar of de schaderegelaar alsnog een gemotiveerd antwoord heeft gegeven. Ik zou menen dat het schadevergoedingsorgaan in een strikte lezing van de Richtlijn de behandeling van het dossier ook dan heeft te staken en het dossier heeft over te dragen aan de schaderegelaar, als het gemotiveerde antwoord na afloop van de termijn van twee maanden wordt verstrekt. De Richtlijn beperkt, naar de letter gelezen, de verplichting om het dossier over te dragen immers niet tot situaties waarbij de verzekeraar of de schaderegelaar binnen de 'respijt-termijn' van twee maanden alsnog reageert.1
Bevredigend is dat niet. Een vlotte afhandeling van het schadegeval wordt erdoor gefrustreerd en de benadeelde zal licht het gevoel krijgen van het kastje naar de muur te worden gestuurd, zeker als de verzekeraar zeer laat een ander inhoudelijk standpunt blijkt in te nemen dan het schadevergoedingsorgaan al heeft gedaan.
Denk aan de situatie dat het schadevergoedingsorgaan inmiddels aansprakelijkheid heeft aangenomen, terwijl de verzekeraar aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk afwijst.
Deze overwegingen brengen Lemor tot zijn hiervoor vermelde opvatting dat er geen verplichting voor het schadevergoedingsorgaan bestaat om de schadebehandeling na de termijn van (drie +) twee maanden aan de alsnog zich meldende verzekeraar over te dragen.
De schadevergoedingsorganen zijn in hun Overeenkomst van 29 april 2002, waarin zij hun onderlinge verhoudingen regelen, overeengekomen het dossier niet over te dragen aan de verzekeraar of de schaderegelaar, als dezen na door het schadevergoedingsorgaan te zijn gewaarschuwd dat het binnen twee maanden in actie zal komen, na ommekomst van die termijn alsnog een onderbouwde reactie aan de benadeelde verstrekken.2 De tekst van de Richtlijn geeft naar mijn mening echter geen houvast voor deze opvatting, hoe wenselijk zij uit oogpunt van slacht-offerbescherming ook moge zijn.
Voor de goede orde: de verplichting van het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde om zijn optreden te staken als de verzekeraar alsnog een met redenen omkleed antwoord geeft, geldt ook als de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld. Wel zou ik er in dat geval van uit willen gaan dat de verzekeraar zijn antwoord zal moeten geven in de taal van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde. Zie paragrafen 4.83 en 5.3.4.1.
Onduidelijk is of de verzekeraar aan de beslissingen van het schadevergoedingsorgaan is gebonden als hij, nadat het schadevergoedingsorgaan met de inhoudelijke behandeling van het dossier is aangevangen, alsnog een met redenen omkleed antwoord geeft. Ik zou menen dat dit in beginsel het geval is. Zijn stilzwijgen op het verzoek om schadevergoeding of zijn onvoldoende gemotiveerde antwoord heeft immers geleid tot het - rechtmatig - optreden van het schadevergoedingsorgaan en de redelijkheid brengt mee dat hij de gevolgen daarvan heeft te dragen. Wel rijst de vraag of het schadevergoedingsorgaan dan schadeplichtig is tegenover de verzekeraar als het een rechtens onjuist standpunt heeft ingenomen. Daarvoor is naar mijn oordeel echter alleen plaats als het door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde ingenomen standpunt apert onjuist is en het schadevergoedingsorgaan zich daarvan bewust had moeten zijn.3
Een enkele opmerking nog over het informeren van de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Motief voor het informeren van degene die het ongeval heeft veroorzaakt kan zijn dat deze er een belang bij heeft zijn verzekeraar tot actie te manen. De Richtlijn spreekt niet over 'de aansprakelijke'. Aangenomen mag worden dat de reden daarvoor is, dat de aansprakelijke veelal een andere figuur kan zijn dan degene die feitelijk de (beweerde) veroorzaker van het ongeval is. Denk aan de aansprakelijke kentekenhouder die niet noodzakelijk achter het stuur zat en wellicht in het geheel niet op de plaats des onheils aanwezig was. Een van de redenen die pleiten voor het informeren van degene die het ongeval veroorzaakte is bovendien, dat deze beschikt over informatie omtrent de toedracht.
Ook het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de dekking gevende verzekeraar wordt ingelicht. Ook hier is het motief dat dit orgaan in een goede positie verkeert om de verzekeraar in beweging te krijgen.
Samenvattend: in de eerste periode van twee maanden nadat de benadeelde zich tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats heeft gewend, zal dat orgaan zich er hoofdzakelijk toe beperken te trachten de verzekeraar te bewegen alsnog een met redenen omkleed antwoord te geven en het schadegeval in behandeling te nemen. Leidt dat niet tot resultaat, dan zal het schadevergoedingsorgaan met de inhoudelijke behandeling van het verzoek om schadevergoeding beginnen, waarbij het strikt genomen verplicht is het dossier weer aan de verzekeraar of diens schaderegelaar over te dragen, als deze laatsten de benadeelde alsnog een met redenen omkleed antwoord verstrekken.