Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.6.1:2.6.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.6.1
2.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590928:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
76. In 1947 kreeg Meijers de opdracht een nieuw burgerlijk wetboek te ontwerpen. Na zijn overlijden in 1954 publiceerde het driemanschap bestaande uit J. Drion, G. de Grooth en F.J. de Jong in 1961 een ontwerp met toelichting voor boek 6 van het nieuwe burgerlijk wetboek.1 Onderdeel van deze omvangrijke publicatie vormde het ontwerp voor wat uiteindelijk het huidige art. 6:163 BW en 6:98 BW zou worden, en de daarop gegeven toelichting.
Het ontwerp voor art. 6:163 BW (art. 6.3.1.2 O.M.) luidde:
“1. De verplichting tot vergoeding strekt zich uit tot de schade welke bij het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien was, tenzij de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de voorzienbare schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
2. Hij die in strijd handelt met een wettelijke plicht, pleegt een onrechtmatige daad jegens een ieder die dientengevolge schade kan lijden welke op het tijdstip van het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien is, tenzij blijkt dat de overtreden norm een andere strekking heeft.”
Voor art. 6:98 BW luidde het ontwerp (art. 6.1.9.4 O.M.):
“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking de schade die op het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg van deze gebeurtenis was te voorzien.”
77. De toelichting op beide ontwerpbepalingen neemt tot uitgangspunt dat nog “zeer omstreden” is aan welke vereisten het verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust enerzijds en de schade anderzijds dient te voldoen en de rechtsontwikkeling niet belemmerd dient te worden door een bepaalde (strikte) theorie in de wet neer te leggen. Wel is volgens de toelichting inmiddels duidelijk dat voornoemd verband aan drie te onderscheiden criteria dient te worden getoetst: causaliteit, waarschijnlijkheid en strekking van de geschonden norm.2
78. De toelichting vermeldt dat het causaliteitsvereiste, het eerste van deze drie criteria, besloten ligt in de termen “daardoor” en “dientengevolge” in het ontwerp voor art. 6:74 BW en art. 6:162 BW. Aan dit vereiste is volgens de toelichting in het algemeen voldaan indien sprake is van condicio-sine-qua-non-verband tussen de wanprestatie of onrechtmatige daad enerzijds en de schade anderzijds.3 De andere twee criteria waren neergelegd in de ontwerpen voor wat art. 6:163 BW en art. 6:98 BW zouden worden. In deze ontwerpbepalingen was niet zomaar het geldende recht neergelegd, maar klaarblijkelijk gestreefd naar zowel inhoudelijke als dogmatische verbetering van het recht. Ik bespreek de twee ontwerpbepalingen in § 2.6.2 en 2.6.3. Vervolgens behandel ik in § 2.6.4 de door het ontwerp verworpen leren.