Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.8.1:4.8.8.1 De wegneemgerechtigde wordt eigenaar
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.8.1
4.8.8.1 De wegneemgerechtigde wordt eigenaar
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644860:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de duidelijkheid: de wegneemgerechtigde hoeft niet (per se) degene te zijn die daadwerkelijk afscheidt. Hij kan opdracht geven aan bijvoorbeeld een verhuizer, aannemer of klusjesman om de toegevoegde zaken los te maken.
Spath (2010), p. 183.
Spath (2010), p. 184.
MvA, II, art. 5.2.14, Parl. Gesch. Boek 5, p. 114.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks deze bezwaren heeft de toewijzing van de eigendom aan de wegneemgerechtigde voordelen.1 Allereerst het voordeel van de helderheid: de wegneemgerechtigde en de eigenaar van de af te scheiden zaak zijn een en dezelfde persoon. De feitelijke macht en het eigendomsrecht komen direct in één hand te liggen. Daarnaast is degene die een wettelijke vergoedingsvordering heeft dezelfde persoon als de wegneemgerechtigde. De bezitter kan bijvoorbeeld de eigenaar aanspreken tot het vergoeden van de door hem toegevoegde zaken of hij kan afscheiding vorderen. In dit licht is het logisch dat hij de eigendom verkrijgt, indien hij kiest voor afscheiding in plaats van voor een geldelijke vergoeding. Waarom anders gebruik maken van een wegneemrecht?
Een ander argument is gelegen in de zwakke positie van de oorspronkelijke eigenaar. Stel dat hij het eigendomsrecht zou verkrijgen, dan beschikt hij niet over een wegneemrecht, waardoor hij is overgeleverd aan de grillen van de wegneemgerechtigde. Deze heeft namelijk de keuze om een bestanddeel af te scheiden of om hier juist van af te zien en (indien mogelijk) een vergoeding te vorderen. Met andere woorden, de wegneemgerechtigde zou kunnen voorkomen dat de oorspronkelijke eigenaar wederom eigenaar wordt.2
Tot slot, stel dat de wegneemgerechtigde de eigenaar wordt: staat de oorspronkelijke eigenaar dan met lege handen? Niet altijd. Hij kan een vordering instellen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) op het ogenblik dat zijn zaak is nagetrokken.
“Deze oplossing heeft voor de oorspronkelijke eigenaar het voordeel dat hij de vordering onmiddellijk na de natrekking kan instellen, waardoor hij niet hoeft te wachten op het eventueel wegnemen na verloop van tijd.”3
Meijers zelf leek ook voor deze uitkomst te opteren. In zijn Ontwerp had hij, zoals gezegd, minder iura tollendi opgenomen dan die thans in het BW staan. Daarentegen had hij een afzonderlijke bepaling opgenomen (art. 5.2.14) die aan de oorspronkelijke eigenaar een vordering gaf op grond van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking als deze laatste zijn eigendomsrecht door natrekking had verloren. Dit artikel is geschrapt, omdat het als overbodig werd beschouwd naast de algemene artikelen over onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking.4 Via een vordering uit onrechtmatige daad kan hij herstel in natura eisen en op die manier afscheiding bewerkstelligen. Deze manieren bevinden zich echter op het terrein van het verbintenissenrecht, waardoor na faillissement van de eigenaar van de hoofdzaak de kans op vergoeding laag is. Daarbij hebben de vorderingen geen derdenwerking.