Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.6
2.6 De beknopte totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:181
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303959:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6.3.15 O.M., Parl. gesch. Boek 6, p. 742.
Art. 6.3.12 O.M., Parl. gesch. Boek 6, p. 752.
Art. 6.3.11 O.M., Parl. gesch. Boek 6, p. 761.
Art. 6.3.16 O.M., Parl. gesch. Boek 6, p. 749.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745.
Resp. art. 6.3.2.5 (roerende zaken), 6.3.2.7 (opstallen), 6.3.2.8 (dieren) en 6.3.2.6 G.O. (gevaarlijke stoffen).
Parl. gesch. Boek 6, p. 745. De keuze voor de bezitter is overigens niet zonder kritiek gebleven. Zie Klaassen 1991, p. 85 e.v., met diverse verwijzingen. Zo heeft Schut 1963, p. 188, 200-203, 207-209 en 1976, p. 641-642 wel een lans gebroken voor de beheerder als aansprakelijke persoon. Vanwege (ook) daaraan klevende nadelen wordt de keuze van de wetgever voor de bezitter, bij gebreke van een beter alternatief, niettemin wel als beste gezien; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/229; Klaassen 1991, p. 89.
Art. 6.3.2.10 G.O., Parl. gesch. Boek 6, p. 767.
Parl. gesch. Boek 6, p. 746.
Parl. gesch. Boek 6, p. 746-747.
Wordt bijvoorbeeld de eveneens in 1992 ingevoerde ‘nieuwe’ aansprakelijkheid voor zelfstandige hulppersonen (art. 6:171) bezien, dan blijkt dat het Ontwerp-Meijers met art. 6.3.10 O.M. daar al in voorzag, zij het dat toen nog sprake was van een foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast. De literatuur kreeg de kans te reageren en na de nodige reacties en kritiek, ook vanuit de Tweede en Eerste Kamer, verscheen een daarop aangepaste aansprakelijkheid die uiteindelijk als art. 6:171 werd ingevoerd. Zie uitvoerig Lubach 2005, p. 120-133.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3 (MvT) en Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6 (MvA). Vgl. Klaassen 1991, p. 125, die ervan spreekt dat van de gelegenheid gebruik werd gemaakt om met betrekking tot de reeds in werking getreden kwalitatieve aansprakelijkheden misvattingen te voorkomen en/of uit de wereld te helpen.
Zie nader par. 6.4.
Zo lang als de totstandkomingsgeschiedenis van Boek 6 BW en de daarin opgenomen afd. 6.3.2 BW is, zo kort is die van het individuele art. 6:181. Als geheel nieuwe bepaling werd art. 6:181 in 1976 geïntroduceerd in Boek 6 G.O. Waar het OBW zoals al gezegd een met art. 6:181 vergelijkbare aansprakelijkheid niet kende, kwam ook in het door het Driemanschap geconcipieerde Boek 6 O.M. uit 1964 geen aansprakelijkheid van de ‘bedrijfsmatige gebruiker’ van zaken en dieren voor. In het ontwerp van het Driemanschap was ervoor gekozen de aansprakelijkheid voor zaken te leggen op de gebruiker,1 die voor opstallen op de bezitter2 en die voor dieren op de onderhouder.3 De aansprakelijkheid voor de – later bij de ‘Stofkam-operatie’ in 1983 geschrapte – gevaarlijke stoffen werd neergelegd bij de bezitter.4 In elk van deze aansprakelijkheidsregelingen rustte de aansprakelijkheid in alle gevallen telkens op één en dezelfde persoon. In Boek 6 G.O. werd een hiervan afwijkende, meer verfijnde aanpak gevolgd. De toelichting op Boek 6 G.O. leert dat ‘opnieuw’ is bezien op wie een kwalitatieve aansprakelijkheid voor roerende zaken, opstallen, dieren en – de later geschrapte – gevaarlijke stoffen behoort te rusten.5 De gemaakte afweging had ertoe geleid voor de verschillende ‘objecten’ de aansprakelijkheid gelijkelijk te leggen bij de bezitter.6 Deze persoon is volgens de toelichting vanuit het perspectief van de benadeelde namelijk gemakkelijk op te sporen, terwijl de bezitter ook degene is voor wie het voor de hand ligt zich desgewenst tegen het risico van de aansprakelijkheid te verzekeren.7 De bezitter was in Boek 6 G.O. echter niet telkens de aansprakelijke persoon: worden de zaken, dieren of stoffen in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, dan behoort de aansprakelijkheid volgens de toelichting te rusten op degene die dit bedrijf uitoefent.8 De gedachte hierachter is dat enerzijds benadeelden een centraal adres voor aansprakelijkheid wordt geboden, terwijl een concentratie van aansprakelijkheid bij het ‘bedrijf’ anderzijds de risico’s voor (potentieel) aansprakelijken overzichtelijk maakt om deze met de nodige precisie te kunnen (door) berekenen en/of verzekeren.9 De aansprakelijkheid van de ‘bedrijfsmatige gebruiker’ is volgens de toelichting op Boek 6 G.O. voorts geïnspireerd op de wel in het buitenland voorkomende aansprakelijkheid voor ‘gevaarlijke activiteiten’, waarbij het gebruik van zaken, dieren en gevaarlijke stoffen een belangrijke rol speelt.10
Boek 6 G.O., met daarin opgenomen het ‘nieuwe’ art. 6:181, werd ruim een jaar na de indiening op 30 januari 1976, door de Tweede Kamer aangenomen op 22 april 1977. De Eerste Kamer volgde op 6 mei 1980, waarna de officiële vaststelling plaatshad op 9 mei 1980. In deze relatief korte tijdspanne vanaf de introductie van art. 6:181 tot aan de officiële vaststelling, werd behoudens de beknopte toelichting in de MvA behorende bij het G.O., geen aandacht meer besteed aan (de precieze reikwijdte van) art. 6:181. De bepaling trad vervolgens als onderdeel van afd. 6.3.2 BW weliswaar pas in werking op 1 januari 1992, maar in de periode vanaf de invoeringswetgeving tot aan deze inwerkingtreding werd evenmin nog afzonder lijke aandacht besteed aan art. 6:181.11 Toen art. 6:181 in 1992 van kracht werd, was deze aansprakelijkheid vanuit wetstechnisch oogpunt dus nog helemaal niet voldragen.12 Treffend is dat de latere toelichting op de Aanvullingswet 1995 werd aangegrepen alsnog uitgebreid in te gaan op de kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken die al in 1992 tot wet waren verheven.13 Ook art. 6:181 kwam hierbij aan de orde, maar echt nieuwe inzichten over de toepassing van deze bepaling leverde dat niet op. Bij gelegenheid van de toevoeging in 1995 van het derde lid aan art. 6:181 betreffende gevaarlijke stoffen werd in de toelichting zelfs in het geheel niet inhoudelijk stilgestaan bij de werkingssfeer van dit nieuwe onderdeel van art. 6:181.14 Daartoe bestond in mijn ogen echter wel aanleiding, aangezien lid 3 van art. 6:181 binnen deze bepaling – in afwijking van art. 6:181 lid 1 en 2 – naast de bedrijfsmatige gebruiker een aansprakelijkheid introduceerde van ook de beroepsmatige gebruiker.15