Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.3.3
7.3.3 Prioriteit versus paritas creditorum
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383436:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. voor het huidige recht art. 3:277 BW alwaar de paritas creditorum ter zake van het verhaalsrecht van schuldeisers tot uitdrukking komt.
In een conflict tussen een goederenrechtelijk en een persoonlijk recht delft het persoonlijke recht het onderspit als gevolg van het droit de préférence van het goederenrechtelijk recht. In de literatuur wordt op meerdere plaatsen abusievelijk droit de préférence als synoniem voor de prioriteitsregel aangedragen. Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/31 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/66. Het verdient de voorkeur om alleen in de verhouding tussen goederenrechtelijke rechten enerzijds en persoonlijke rechten anderzijds het droit de préférence te hanteren.
Men pleegt wel te zeggen dat de grens tussen het goederenrecht en het verbintenissenrecht is vervaagd. Overigens is eveneens van de omgekeerde situatie sprake nu ook in het goederenrecht een zekere relatieve werking sluipt. Zo Rank-Berenschot, diss. 1992, hoofdstuk 10. Men zie ook het proefschrift van Damsteegt-Molier, Relativering van eigendom, Den Haag: Boom 2009.
In par. 9.3 wordt een aantal relevante ‘verzakelijkte’ obligatoire leerstukken nader besproken.
PG Boek 3 BW, Eindverslag I, p. 110 en 110 en PG Inv. Boek 3 BW, MvT, p. 1397.
PG Inv. Boek 3 BW, MvT, p. 1397.
Zie Pres. Middelburg 18 augustus 1978, NJ 1979/591, m.nt. W.H. Heemskerk, r.o. 17. In de noot wordt opgemerkt dat het weliswaar een goederenrechtelijk beginsel betreft, maar dat in de jurisprudentie een sterke neiging bestaat om het oudste persoonlijke recht met betrekking tot een bepaalde zaak te laten voorgaan boven latere rechten als de verkrijger van het latere recht van het bestaan van het oudste recht op de hoogte was.
Zie Snijders 1980, p. 185-192 waarnaar wordt verwezen in PG Inv. Boek 3 BW, p. 1397.
Niet alleen zal de winst van deze wedloop tussen schuldeisers vaak van toevallige omstandigheden afhangen, deze regel geeft daarnaast geen oplossing voor het geval dat beide schuldeisers conservatoir beslag hebben gelegd en daardoor over en weer de levering aan de ander geblokkeerd hebben. Zie Snijders 1980, p. 186 en 187.
Zie Snijders 1980, p. 187-189. Zie voor de oplossing naar Duits recht hierboven, p. 80. De als derde geschetste oplossing – te weten de rechter geheel vrijlaten om naar gelang van de omstandigheden te beslissen – blijft hier buiten beschouwing.
Snijders 1980, p. 190-192, hetgeen is overgenomen door de wetgever, zie PG Inv. Boek 3 BW, MvT, p. 1396 en 1397.
Zie Snijders 1980, p. 190 die doelt op het arrest HR 17 november 1967, NJ 1968/42 (Pos/ Van den Bosch). Hij merkt verder op dat deze oplossing overeenkomt met wat in Frankrijk en België in geval van een dubbele verkoop voortvloeit uit het daar geldende stelsel. Zie hierover hierboven p. 108.
Deze door Stein in WPNR 5652 (1983), p. 309 voorgestelde oplossingen wijst de wetgever af. Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1398.
Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1397.
Het recht van de koper krijgt aldus zekere goederenrechtelijke trekken. Een persoonlijk recht met een zekere goederenrechtelijke werking komt op meerdere plekken in het BW voor. Als voorbeeld moge alvast worden genoemd art. 7:226 BW waarin het adagium ‘koop breekt geen huur ’ tot uitdrukking wordt gebracht op grond waarvan de huurder zijn recht ook tegen latere verkrijgers van de zaak kan doen gelden en eveneens aan latere beperkt gerechtigden kan tegenwerpen. Zie voor meer voorbeelden par. 9.3.
De tegenpool van de prioriteitsregel wordt gevormd door het beginsel van paritas creditorum, de onderlinge gelijkheid van schuldeisers.1 Waar goederenrechtelijke rechten vanwege hun absolute karakter rang innemen naar de volgorde van hun ontstaansmoment, staan persoonlijke rechten in beginsel juist ongeacht het moment van hun ontstaan aan elkaar gelijk.2 Het tegen elkaar afzetten van deze beginselen markeert het onderscheid tussen goederenrechtelijke en persoonlijke rechten.
Koppelt men de verklaring van de prioriteitsregel aan het absolute karakter van goederenrechtelijke rechten, dan behoeft zijn verschijning in het verbintenissenrecht een nadere onderbouwing. Aangezien immers voor absolute werking in de obligatoire sfeer in beginsel geen ruimte is, is die er aldus beschouwd evenmin voor de prioriteitsregel. Toch valt de toepassing van de prioriteitsregel ook in bepaalde verbintenisrechtelijke kwesties te bespeuren.3 Op deze plaats blijft een volledige behandeling van de ‘verzakelijkte’ obligatoire rechten achterwege en wordt alleen stilgestaan bij het geval waarin de Nederlandse wetgever expliciet de toepassing van de prioriteitsgedachte heeft aanvaard, te weten in het kader van botsende rechten op levering.4Art. 3:298 BW bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen twee of meer schuldeisers die ten aanzien van een goed botsende rechten op levering vervolgen, het oudste recht op levering voorgaat. Na bijvoorbeeld een dubbele verkoop hebben twee kopers jegens de verkoper een recht op levering. Deze persoonlijke rechten zijn van eenzelfde gewicht en het staat de debiteur vrij om te kiezen aan wie hij levert respectievelijk jegens wie hij wanprestatie pleegt. Ieder van de schuldeisers heeft een recht op nakoming en kan de debiteur daartoe aanspreken. Pas als het tot een executiegeschil komt – bijvoorbeeld als beide kopers een beslag tot levering leggen – dringt de vraag naar de verhouding tussen beide schuldeisers zich op. Voor gevallen als deze kan een materieelrechtelijke regel volgens de wet-gever moeilijk worden gemist.5 De keuze voor de vuistregel dat het oudste recht op levering voorgaat, wordt verdedigd met het argument dat deze regel aansluit bij de destijds recente ontwikkelingen in het recht.6 Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg waarin wordt overwogen dat ‘de eerste koper het eerste recht op levering heeft’7 alsmede naar het artikel van regeringscommissaris W. Snijders dat model heeft gestaan voor het uiteindelijke art. 3:298 BW.8 In dit artikel schetst Snijders vier oplossingen voor de situatie waarin er meerdere gerechtigden tot levering van eenzelfde goed zijn. De oplossing die recht doet aan de paritas creditorum – te weten het hanteren van de regel ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’ door degene die als eerste het goed geleverd weet te krijgen te laten prevaleren – wijst Snijders van de hand omdat het tot grillige resultaten zou leiden.9 Ook het aanknopen bij het tijdstip waarop elk van de schuldeisers een bepaalde conservatoire maatregel neemt – zoals het Duitse recht doet – verdient niet de voorkeur.10 Snijders spreekt zijn voorkeur uit voor een stelsel dat uitgaat van een duidelijke regel waarvan de toepassing in het algemeen niet tot grillige resultaten behoeft te leiden.11 Dat hij daarbij een goederenrechtelijk beginsel in het verbintenissenrecht toepast, lijkt hij bij gebrek aan een beter alternatief voor lief te nemen. Deze oplossing past tevens het beste bij de rechtspraak van de Hoge Raad waarin onrechtmatigheid jegens de eerste koper werd aangenomen als een latere koper levering aan zichzelf afdwingt en het recht van de eerdere koper kende.12
Het heeft er alle schijn van dat deze prioriteitstoepassing in het verbintenissenrecht het gevolg is van een pragmatische keuze van de wetgever die is gericht op het dienen van rechtszekerheid. Iedere andere oplossing laat te veel ruimte voor de omstandigheden van het geval dan wel leidt tot een uitkomst waarin geen van beiden de zaak geleverd zal krijgen indien de vorderingen worden opgelost in vorderingen tot schadevergoeding.13 De wetgever geeft uitdrukkelijk toe dat het onderhavige artikel een uitzondering vormt op de paritas creditorum.14 Met deze keuze voor een rangorde naar ouderdom komt eens te meer een zekere neiging in goederenrechtelijke richting tot uitdrukking.15 Gelet op het voor het verbintenissenrecht uitzonderlijke karakter van art. 3:298 BW staat deze bepaling niet in de weg aan de motivering van de prioriteitsregel aan de hand van het absolute karakter van goederenrechtelijke rechten.