Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.7:4.7 Conclusie en afronding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.7
4.7 Conclusie en afronding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301651:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in literatuur en rechtspraak wel als vanzelfsprekend aangenomen verhouding tussen de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 (‘hoofdregel’) en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 (‘uitzondering’) strookt in mijn optiek niet met de bedoeling van de wetgever. Veroorzaakt een roerende zaak, opstal of dier schade, dan dient éérst te worden bezien of art. 6:181 toepasselijk is. Zo ja, dan is de bedrijfsmatige gebruiker dé kwalitatief aansprakelijke. Aan de ‘achterliggende’ bezitter wordt door de ‘voorrangsregel’ van art. 6:181 dan niet toegekomen. Pas zodra art. 6:181 niet toepasselijk is, wordt voor wat betreft de aansprakelijke persoon ‘teruggevallen’ op het vangnet van de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179. Alsdan is de bezitter ‘als hoofdregel’ de aansprakelijke, waarop uitzonderingen mogelijk zijn in de vorm van een aantal ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter inwisselbaar is. De verhouding tussen de bedrijfsmatige gebruiker en bezitter in het huidige recht wijkt af van het stelsel van art. 1404 OBW (dieren), waarin de aansprakelijkheid van de gebruiker de uitzondering vormde en die van de eigenaar de hoofdregel. Dit systeemverschil valt in de kern te verklaren door de achtergrond en strekking van afd. 6.3.2 BW, gelegen in het willen bieden van bescherming tegen (nieuwe) ‘bedrijfsmatig’ gecreëerde gevaren. De analyse van de onderlinge hiërarchie tussen de bedrijfsmatige gebruiker en bezitter heeft een aantal waardevolle inzichten geboden voor de toepassing van art. 6:181 in het concrete geval, zoals dat in geval van toepasselijkheid van deze bepaling de vraag naar het bezit kan blijven rusten, dat art. 6:181 in beginsel een ruime uitleg toekomt, dat van art. 6:181 in grensgevallen een ‘absorberende’ werking uitgaat, alsmede hoe binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 de bewijslastverdeling ten aanzien van de aansprakelijke persoon vorm kan worden gegeven.