Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/4.5.1
4.5.1 Inleiding
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Assink & Olden 2005, p. 9: “Nu de Hoge Raad niet bepaalt dat (…), blijft in het midden wat nu de verhouding is tussen ‘ernstig verwijt’ en ‘onbehoorlijke taakvervulling’. Uit de formulering van de door de Hoge Raad beantwoorde vraag wordt deze verhouding evenmin duidelijk. In de daaropvolgende arresten Van Dooren/Hendriks, Moonen/Prickartz q.q., Schwandt/Berghuizer Papierfabriek en Skipper Club Charter/Jaarsma bevestigt de Hoge Raad telkens de juistheid van de in Staleman/Van de Ven geïntroduceerde maatstaf, maar licht hij het gehanteerde toetsingsmechanisme niet toe. Hoe bont moet een bestuurder het nu maken voordat hij aansprakelijk is ex art. 2:9 BW?”, Zie ook: Assink, Bröring, Timmerman & De Valk 2011, p. 25.
In het arrest Staleman/Van de Ven werd door de Hoge Raad niet toegelicht op grond waarvan hij meende dat van aansprakelijkheid van bestuurders op grond van art. 2:9 BW eerst sprake kan zijn als hun een zogenoemd ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt. Welke gedachte ten grondslag lag aan de introductie van de maatstaf en hoe die maatstaf moest worden geduid, werd door de Hoge Raad in het midden gelaten.1 De situatie doet zich dus voor dat het arrest (i) op dit onderdeel afwijkt van de bewoordingen van art. 2:9 BW en (ii) dat de rechter in zijn motivering/redenering stappen heeft overgeslagen. Teneinde de beslissing rationeel-rechtswetenschappelijk te becommentariëren, is het daarom noodzakelijk de beslissing te herformuleren teneinde de stap die de Hoge Raad niet expliciet heeft gemaakt alsnog expliciet te maken. Dit geschiedt aan de hand van de eerdergenoemde rationele reconstructie (zie over dit begrip, par. 2.4).