Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.1.4
6.1.4 De geoorloofdheid van beschermingsmaatregelen
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232601:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.1.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.1.
Zie paragraaf 5.1.3 van dit proefschrift over waarom het vennootschapsbelang en de strategie niet vereenzelvigd mogen worden.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.5 en Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.14.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.5
Uit de LVMH/Gucci- en Uni-Invest/Breevast-beschikkingen blijkt ook dat het effectueren van een beschermingsconstructie in strijd met (dwingend) recht of statutaire bepalingen kan leiden tot gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, zie Hof Amsterdam (OK) 3 maart 1999, JOR 1999/87 (LVMH/Gucci) en Hof Amsterdam (OK) JOR 1999/89, m.nt. M. Brink (Uni-Invest/Breevast).
Rb Den Haag (vzr.) 17 maart 2015, JOR 2015/135, m.nt. R.G.J. Nowak (Boskalis/Fugro).
Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 4 met verwijzing naar Nowak in par. 15 van zijn annotatie bij Rb Den Haag (vzr.) 17 maart 2015, JOR 2015/135 (Boskalis/Fugro). Zie ook: D.W. Stuijt, ‘Certificering als beschermingsconstructie?’, WPNR 2018/7212, p. 805.
Zie kennelijk anders: Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 2-3, die bescherming ziet als onderdeel van de bestuurstaak en aanneemt dat het bestuur het primaat heeft over de invoering en afschaffing van beschermingsconstructies. Overigens erkent Nieuwe Weme wel dat invoering van een beschermingsconstructie afhankelijk kan zijn van de medewerking van de AV en dat aandeelhouders en de AV hun wettelijke en statutaire bevoegdheden kunnen gebruiken om ervoor te zorgen dat een beschermingsconstructie wordt afgeschaft.
Zie HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6, laatste zin: “Voor zover bevoegdheden omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie toekomen aan het bestuur, valt de uitoefening daarvan samen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.”
Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 4.
Idem.
HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.7. De betreffende onderdelen van de cassatieklachten richtten zich slechts tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat de stichting wat betreft het uitoefenen van de optie voor de doeleinden van het enquêterecht niet heeft te gelden als medebeleidsbepaler, maar de Hoge Raad trekt dit breder en stelt meer algemeen dat uitoefening door de stichting van de haar verleende optie niet het beleid van ASMI betreft. Aangezien een onafhankelijke stichting ook geen ondernemingsraad heeft, kan haar handelen overigens ook niet onder de reikwijdte van het enquêterecht worden gebracht door een enquête te verzoeken bij de stichting (artikel 2:344 sub b BW). Overigens acht ik het niet ondenkbaar dat het uitoefenen van een calloptie onder omstandigheden wel onderdeel wordt gemaakt van een enquêteonderzoek. De (wijze van) verwerving van aandelen in een vennootschap kan immers ook betrokken worden in een enquêteonderzoek, zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink (PCM).
Krachtens artikel 2:96 lid 5 jo. lid 1 BW kan de vennootschap een recht tot het nemen van aandelen slechts verlenen ingevolge een besluit van de AV of van een ander vennootschapsorgaan dat daartoe bij besluit van de AV of bij statuten voor de duur van ten hoogste vijf jaar is aangewezen, zie ook Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013, nr. 187.1. Indien het bestuur door de AV is aangewezen als het tot uitgifte bevoegde orgaan, dan ziet deze bevoegdheid bij Nederlandse beursvennootschappen in de regel op niet meer dan 10% van het aandelenkapitaal, zie R. Abma, ‘Kroniek van het seizoen van jaarlijkse algemene vergaderingen 2019’, Ondernemingsrecht 2019/145, par. 4. Voor een dergelijke delegatie van de emissiebevoegdheid is ook een besluit van de AV vereist. De bevoegdheid tot het verlenen van medewerking aan certificering van aandelen kent geen wettelijke basis, maar algemeen wordt aangenomen dat de AV hiervoor het bevoegde orgaan is, aangezien het verlenen van medewerking bepaalde aandeelhoudersrechten bij certificaathouders doet ontstaan, zie Garcia Nelen & Schwarz 2016, par. 4.2. De bevoegdheid tot het wijzigen van statuten ligt dwingendrechtelijk bij de AV op grond van artikel 2:121 lid 1 BW. Dit recht kan wel beperkt worden door statutair te bepalen dat statutenwijziging slechts mogelijk is op voorstel of met goedkeuring van een ander vennootschapsorgaan, maar dat is op zichzelf een oligarchische regeling die met medewerking van de oprichters of aandeelhouders moet worden opgenomen in de statuten. De bevoegdheid tot statutenwijziging kan niet aan anderen dan de AV worden toegekend. Zie Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013, nr. 342.
Zie: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/646 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/187.1. Zie anders: C.A. Schwarz, ‘Ahold Delhaize en de verlenging van de optie op beschermingsaandelen; enkele observaties’, Ondernemingsrecht 2018/96. Genoemd artikel en de daaropvolgende reactie en het naschrift bieden ook uitgebreide bronverwijzingen voor een volledig beeld van de problematiek, zie ook: R.A.F. Timmermans, ‘Reactie op Schwarz, Ondernemingsrecht 2018/96’, Ondernemingsrecht 2018/134 en C.A. Schwarz, ‘naschrift bij de reactie van Timmermans’, Ondernemingsrecht 2018/135.
Artikel 17 Verordening Marktmisbruik. Zie ook: Stevens 2018, par. 7.5.2 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/555.
HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA). Deze norm heb ik eerder samengevat in Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 6 en deze samenvatting is later onderschreven door Oostwouder & Schrooten 2018, O&F 2018/3, par. 3. Zie eerder ook in dezelfde zin: Van Ginneken 2010, par. 10.2.2 en De Brauw 2017, par. 12.4.5.8.2.1. Het vereiste onder (a) vloeit voort uit de algemene invulling van de taakvervulling van het bestuur op grond van artikel 129 lid 5 BW, zoals verder ingevuld in de jurisprudentie, zie HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I).
Hof Amsterdam (OK) 14 april 2011, JOR 2011/179 (ASMI), n.nt. Hermans, r.o. 3.18 en Rb Amsterdam 29 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1411 (Yukos), r.o. 7.9.
Van Ginneken 2010, par. 10.2.2; De Brauw 2017, par. 12.4.5.8.2.1; De Brauw, Ondernemingsrecht 2019/94, par. 3.1; par. 3.12-3.13 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Delaware Supreme Court, Unocal Corp. v. Mesa Petroleum Co., 493 A.2d 946 (Del. 1985).
Zie ook: De Brauw 2017, par. 12.4.5.8.2.1.
Zie paragraaf 3.2 van dit proefschrift.
Par. 3.12 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO). Zoals Timmerman het verwoordt in par. 3.13 van die conclusie: “Doorstaat het beleid van het bestuur deze ‘enhanced scrutiny test’, dan geldt wederom de voor het bestuur geldende milde ‘business judgment rule’.”
Zie hierover paragraaf 6.1.2 van dit proefschrift. Zie ook par. 3.14 e.v. concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Delaware Court of Chancery, Air Products and Chemicals Inc. v. Airgas Inc., Civ. 5249-CC, 5256-CC (Del. Ch. 2011).
Rb Amsterdam 29 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1411 (Yukos), r.o. 7.11 (tweede zin).
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/575.
Zie bijvoorbeeld de gang van zaken rondom de Stichting Preferente Aandelen B KPN bij het bod van América Móvil op KPN en Stichting Preferred Shares Mylan bij het bod van Teva op Mylan.
Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 6.
Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 5.
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork), r.o. 3.12.
Wat mij betreft is dit inclusief zogenaamde pandoraconstructies en andere soorten beschermingsconstructies op dochterniveau, zie hierover paragraaf 6.1.5. Zie ook: Van Ginneken 2010, par. 10.2; Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.5; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/575. Zie anders: Den Boogert, Ondernemingsrecht 2017/47.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/574.
Timmerman, Ondernemingsrecht 2009/2.
Stevens 2008, par. 5.6.2; Van Ginneken 2010, par. 10.4.3 en 10.5; De Jongh, Ondernemingsrecht 2011/124.
Principe 4.4 van de Code. Nederlandse beursvennootschappen worden geacht vanaf 2018 te rapporteren over de naleving van Code, op voorwaarde dat deze in 2017 wordt verankerd in de Nederlandse wet. Die verankering heeft per besluit van 29 augustus 2017 (Stb. 2017, 747) plaatsgevonden.
Zie hierover uitgebreid: Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 3.
Voor de geoorloofdheid van beschermingsmaatregelen geldt als uitgangspunt dat bescherming tegen een vijandig overnamebod naar Nederlands recht geoorloofd is, binnen de grenzen van de wet, statuten en de gedragsnormen die in de jurisprudentie zijn geformuleerd.1 Dat geldt ook voor een beursvennootschap die niet beschikt over statutaire beschermingsconstructies (een “onbeschermde” beursvennootschap of een beursvennootschap met een “open structuur”). Als richtsnoer geldt dat een beschermingsmaatregel enkel kan worden ingezet met het oog op het beschermen van het belang van de beursvennootschap en haar onderneming of ter voorkoming van het onnodig of onevenredig beschadigen van de belangen van stakeholders. Een beschermingsmaatregel mag niet worden ingezet louter ter bescherming van de positie van bestuurders en commissarissen, of om de invloedspositie van de AV of individuele aandeelhouders om andere onrechtmatige motieven nadelig te beïnvloeden.2 Ook mag een beschermingsmaatregel mijns inziens niet worden ingezet louter om de strategie te beschermen; die strategie kan immers ook in strijd zijn met het vennootschapsbelang.3 Het vennootschapsbelang blijft leidend voor bestuurlijke besluitvorming, ook bij bescherming. Voor een goed beeld van de geoorloofdheid van verschillende soorten beschermingsconstructies is een goed begrip van de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van beschermingsmaatregelen van belang.
Er is mijns inziens geen algemeen antwoord op de vraag of bescherming van een beursvennootschap deel uitmaakt van het beleid en de strategie of behoort tot de bevoegdheid van het bestuur of de bevoegdheid van de AV. Dat antwoord kan slechts worden gegeven met inachtneming van de omstandigheden van een specifiek geval. In het bijzonder is het antwoord op die vraag afhankelijk van welke bevoegdheden moeten worden uitgeoefend voor het instellen en uitvoeren van de specifieke beschermingsmaatregel. De vennootschappelijke bevoegdheidsverdeling is het spoorboekje dat steeds gevolgd moet worden om te bepalen wie op welk moment een bepaalde bevoegdheid toekomt, of waarmee bevoegdheden van bepaalde organen juist omzeild kunnen worden door een andere route te volgen. De keuze om een stand alone-scenario na te streven of om dit scenario te verlaten door een fusie aan te gaan of medewerking te verlenen aan een openbaar bod is wel een strategisch besluit.4 Hiertoe is het bestuur (handelend onder toezicht van de raad van commissarissen) bevoegd, zonder dat het gehouden is de AV te consulteren of te raadplegen.5 Indien het bestuur inderdaad besluit om, in het licht van een dreigend vijandig overnamebod, het stand alone-scenario na te streven, dan betekent dit niet dat zij daarmee ook automatisch bevoegd is om de zelfstandigheid van de beursvennootschap te beschermen door plotsklaps een permanente beschermingsconstructie op NV-niveau op te tuigen. Dergelijke structuren kunnen veelal niet worden geïmplementeerd zonder medewerking van de AV.6 Het bestuur heeft hierbij veelal wel een initiërende rol, maar handelt vervolgens op grond van een besluit van, of krachtens, de bevoegdheid die hem is toegekend door de AV. Hetzelfde geldt wanneer de beschermingsconstructie volledig wordt afgebroken, waarbij over het algemeen in ieder geval een statutenwijziging noodzakelijk zal zijn.
In de Fugro-casus werd vooral in eerste aanleg de nadruk gelegd op het feit dat de ontmanteling van de Antilliaanse beschermingsconstructie op het terrein ligt van de door het bestuur te bepalen strategie.7 Deze overweging doet aan het hiervoor overwogene niet af. Het bestuur van een beursvennootschap is in beginsel inderdaad bevoegd om een dergelijke transactie te effectueren of te beëindigen zonder medewerking van de AV, omdat het in dit specifieke geval een beschermingsconstructie op dochterniveau betrof.8 Het bestuur is binnen de grenzen van de wet en statuten bevoegd te beschikken over de vermogensbestanddelen van de beursvennootschap (zoals dochtervennootschappen). Dit wil niet zeggen dat bescherming in algemene zin tot de exclusieve bevoegdheid van het bestuur hoort. Hoewel bescherming veelal raakvlakken zal hebben met de strategie van de beursvennootschap, zal voor het instellen of afbreken van specifieke vormen van permanente beschermingsconstructies vaak medewerking van de AV vereist zijn. Ik zie bescherming in algemene zin dan ook niet als exclusief onderdeel van de bestuursbevoegdheid.9 Enkel voor zover beschermingsmogelijkheden binnen de exclusieve bevoegdheid van het bestuur vallen, valt uitoefening van die bevoegdheid samen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.10 Het bestuur van de beursvennootschap is in beginsel (dat wil zeggen: behoudens andersluidende regelingen) wel bevoegd tot het instellen of afbreken van een beschermingsconstructie op dochterniveau, zoals in het Fugro-arrest. Het instellen van een beschermingsconstructie op het niveau van de beursvennootschap behoort over het algemeen echter niet tot de bevoegdheid van het bestuur, maar tot de bevoegdheid van de AV.11 Het bestuur kan hiertoe voorstellen doen. Het uitoefenen van de beschermingsmaatregel op het niveau van de beursvennootschap vormt veelal geen onderdeel van de bevoegdheid van het bestuur, maar van de onafhankelijke stichting, die haar bevoegdheid onafhankelijk van de vennootschap en haar organen kan uitoefenen.12 Volgens de Hoge Raad betreft het uitoefenen van een calloptie door een stichting dan ook niet (mede) het beleid van de beursvennootschap en kan die handeling om die reden geen onderdeel vormen van een enquêteonderzoek.13
Voor het bepalen van de toelaatbaarheid van bescherming kan in het licht van de vennootschappelijke bevoegdheidsverdeling onderscheid gemaakt worden tussen de permanente beschermingsconstructies en ad hoc beschermingsconstructies. Voor permanente beschermingsconstructies bestaan er over het algemeen twee momenten waarop beoordeeld moet worden wie een bevoegdheid toekomt. Dat is ten eerste het moment van het implementeren van een structuur om het uitoefenen van een beschermingsmaatregel mogelijk te maken (veelal voorafgaand aan de beursgang) en ten tweede het moment van het uitoefenen van de bescherming (veelal pas bij een mogelijke vijandige overname of andere dreiging). Het implementeren van een permanente beschermingsconstructie op het niveau van de beursvennootschap is doorgaans niet mogelijk zonder dat op het moment van invoeren van de beschermingsmaatregel of op enig moment daaraan voorafgaand medewerking door de AV wordt verleend. Het verlenen van een recht tot het nemen van preferente aandelen, het verlenen van medewerking aan certificering en het wijzigen van de statuten betreffen in beginsel bevoegdheden van de AV.14 Deze bevoegdheden kunnen uiteraard deels worden gedelegeerd (door aanwijzing van een ander orgaan) of beperkt, maar uiteindelijk vindt ook die aanwijzing of beperking op enig moment plaats op grond van een besluit van de AV. Wanneer de permanente beschermingsconstructie eenmaal met medewerking van de AV geïmplementeerd is, biedt deze de mogelijkheid om een beschermingsmaatregel uit te oefenen. Het implementeren en het uitoefenen van een permanente beschermingsconstructie is daarmee relevant om te onderscheiden, omdat voor het instellen van de permanente beschermingsconstructie (1) steeds (op enig moment) medewerking van de AV noodzakelijk is en (2) steeds geldt dat dit is toegestaan mits het past binnen de grenzen van de wet en statuten.
In dit verband wijs ik nog op een discussie die in de literatuur heeft bestaan over de vraag of het bestuur op grond van een delegatiebesluit van de AV bevoegd kan zijn om een oneindige calloptie op preferente aandelen te verlenen aan een prefstichting zonder een nieuw besluit daartoe van de AV. De heersende leer is dat het bestuur bij een ongeclausuleerd aanwijzingsbesluit van de AV op grond van artikel 2:96 lid 1 jo. lid 5 BW een optie kan verlenen tot het nemen van preferente aandelen, waarbij de looptijd van de optie langer kan zijn dan de termijn waarvoor de uitgiftebevoegdheid is gedelegeerd aan het bestuur van de beursvennootschap.15 Dat lijkt mij juist, mits de optie wordt verleend tijdens de termijn waarvoor de aanwijzing geldt. De aanwijzingstermijn zegt alleen iets over de periode dat de rechten tot het nemen van aandelen kunnen worden uitgegeven (met andere woorden: dat de optie kan worden verleend), niet over de periode dat die rechten tot het nemen van aandelen kunnen worden uitgeoefend.
Voor het uitoefenen van een beschermingsconstructie geldt daarentegen over het algemeen dat (1) geen medewerking van de AV vereist is (aandeelhouders hebben er over het algemeen (financieel) belang bij dat een vijandige overname slaagt) en (2) voor de toelaatbaarheid daarvan niet altijd louter getoetst wordt of het past binnen de grenzen van de wet en statuten, maar aanvullende vereisten gelden zoals geformuleerd in de jurisprudentie (waarover hierna meer). Zowel het instellen als het uitoefenen van een beschermingsconstructie zal normaal gesproken kwalificeren als voorwetenschap, die door de beursvennootschap zo snel mogelijk openbaar gemaakt moet worden.16
Onder het uitoefenen versta ik bij de permanente beschermingsconstructies het uitoefenen van de calloptie op preferente aandelen of het beperken, uitsluiten of herroepen van een stemvolmacht van certificaathouders, of het in een specifiek geval beperken van de macht van de AV door gebruik te maken van een bestaande oligarchische regeling, zoals het doen van een bindende voordracht voor bestuurders of het onthouden van goedkeuring voor een statutenwijziging. Voor de uitoefening van bestaande permanente beschermingsconstructies gelden mijns inziens op basis van de wet en jurisprudentie de volgende regels:
de uitoefening moet noodzakelijk zijn met het oog op de belangen van de vennootschap, haar onderneming en de belangen van haar stakeholders; en
de uitoefening moet gegeven de omstandigheden bij een redelijke afweging van de relevante belangen een adequate en proportionele reactie vormen op de relevante dreiging.
De vereisten onder (a) en (b) vormen samen de RNA-norm. Deze norm is in eerste instantie geformuleerd in de RNA-beschikking van de Hoge Raad uit 2003.17 De RNA-norm is ook toegepast in de ASMI-beschikking van de Ondernemingskamer in 2011 (bij toetsing van een beschermingsconstructie waarbij gebruik gemaakt werd van een calloptie op preferente aandelen) en in de Yukos-uitspraak van de rechtbank Amsterdam in 2013 (bij toetsing van een beschermingsconstructie waarbij gebruik gemaakt werd van certificering van aandelen).18
De RNA-norm vertoont belangrijke gelijkenissen met de Unocal-test (ook wel: enhanced scrutiny-test) die in Delaware geldt wanneer de board of directors beschermingsmaatregelen inzet.19 De test is ontwikkeld in een beslissing van de Delaware Supreme Court in 1985.20 In deze beslissing overwoog de Delaware Supreme Court dat de board of directors zich kan beroepen op de business judgement rule bij het aanwenden van een beschermingsmaatregel indien (1) een potentiële overname een bedreiging vormt voor het beleid van de onderneming en (2) de beschermingsmaatregel proportioneel en redelijk is gezien de aard van de dreiging.21 De business judgment rule is een vermoeden dat de board of directors bij het nemen van een besluit handelden op geïnformeerde basis, in goede trouw en in de oprechte overtuiging dat de handeling in het belang van de vennootschap was.22 De Unocal-test is een aanvullende test die wordt verricht voordat de rechter toekomt aan de terughoudende toetsing van het bestuursbeleid onder de business judgment rule.23 De board of directors kan geen bescherming ontlenen aan de business judgement rule wanneer hij besluit te streven naar een verkoop van de vennootschap, in welk geval hij zich moet inspannen de hoogste koopprijs te bewerkstelligen voor de aandeelhouders (de Revlon-doctrine).24 Een board of directors kan een bod niet zomaar afwijzen (just say no), maar moet te goeder trouw handelen, redelijk onderzoek doen en zich laten adviseren door externe adviseurs, en kan een bod slechts blokkeren indien voldaan wordt aan de Unocal-test.25
De rechtbank Amsterdam merkte in haar vonnis uit 2013 terecht op dat de beoordeling van de rechtmatigheid moet zien op het handelen van degene die de beschermingsmaatregel heeft uitgeoefend.26 De RNA-norm is niet specifiek gericht tot het bestuur van de beursvennootschap, maar tot degene die de beschermingsmaatregel in het desbetreffende geval uitoefent.27 Vaak zal juist het bestuur van een stichting overgaan tot uitoefening van een beschermingsmaatregel.28 Bij het toetsen van het handelen van degene die tot uitoefening van de beschermingsmaatregel besluit staat overigens voorop dat hem een zekere beoordelingsvrijheid toekomt.29
Wanneer het bestuur van de stichting overgaat tot uitoefening van een beschermingsconstructie, dan is het tevens gebonden aan haar statutaire doel en de doelstelling van de bescherming zoals opgenomen de optieovereenkomst (of, in het geval van een certificeringsstructuur, de administratievoorwaarden).30 Zie ook de Ondernemingskamer in de Stork-beschikking: “…het valt niet in te zien dat het gebruik willen maken door Centaurus c.s. als reeds meer of minder langdurig zittende aandeelhouders van het in artikel 2:161a BW toegekende recht het vertrouwen in de raad van commissarissen van Stork op te zeggen, kan kwalificeren als niet gewenste overval of overname als bedoeld in de optieovereenkomst en de statuten van de Stichting of dat zij kunnen worden aangemerkt als “malafide overvallers” onderscheidenlijk “raiders”. De andersluidende opvatting dienaangaande van Stork en de Stichting komt er in de kern genomen op neer dat een als beschermingsconstructie in het leven geroepen call optie tegen een vijandige overname in de gebruikelijke zin van die woorden, de uitoefening door aandeelhouders van het recent toegekende wettelijke recht het vertrouwen in de raad van commissarissen van een structuurvennootschap als Stork op te zeggen, kan blokkeren en in wezen permanent illusoir kan maken. Niet goed valt in te zien dat en op welke grond zulks valt te rechtvaardigen.”31
De RNA-norm dient naar mijn mening consequent en breed toegepast te worden voor de beoordeling van de geoorloofdheid van vele verschillende soorten beschermingsconstructies.32 Anders dan Van Solinge en Nieuwe Weme33 meen ik dat de RNA-norm ook geldt voor structurele beschermingsconstructies, zoals certificering van aandelen en prioriteitsaandelen. Zoals ik hierboven heb betoogd, moet daarbij echter niet het instellen van de structuur worden getoetst (dat gebeurt immers met instemming van de AV), maar de uitoefening van de beschermingsmaatregel. Dat betekent dat het beperken, uitsluiten of herroepen van stemvolmachten en het tegen de wens van de AV in gebruikmaken van de bijzondere zeggenschapsrechten vallen onder de onder de RNA-norm te toetsen beschermende handelingen. Net zoals het instellen of het voortbestaan van een stichting continuïteit met een optieovereenkomst niet onder de reikwijdte van de RNA-norm valt, maar het uitoefenen van die calloptie in een specifiek geval wel. Voor oligarchische clausules als prioriteitsaandelen is die scheiding minder makkelijk te maken, maar in de praktijk net zo relevant. Bij een normale gang van zaken speelt de stichting prioriteit vaak geen rol, omdat zij ofwel de mechanische handeling verricht van het voorstellen of goedkeuren wat de vennootschap haar opdraagt, ofwel in het geheel geen betrokkenheid heeft, bijvoorbeeld omdat zij alleen in vijandige omstandigheden van bindende voordrachtsrechten gebruik maakt. Het gaat erom, dat de RNA-norm wordt toegepast wanneer de stichting prioriteit, in het licht van een relevante dreiging, actief ingaat tegen voorstellen of daar niet aan mee werkt. Zowel structurele als niet-structurele beschermingsmaatregelen komen vanuit dit perspectief op hetzelfde neer: je merkt niets van de constructie als er geen dreiging is, maar de wanneer zij tegen een dreiging in verweer komt, door (actief) te handelen of juist (passief) geen medewerking te verlenen, dan kan dat doen of nalaten beoordeeld worden volgens de RNA-norm.
De grondslag voor de door de Hoge Raad geformuleerde RNA-norm is niet geheel duidelijk. Timmerman meent dat de RNA-norm een “aanvullend beginsel” is, dat geldt voor beursvennootschappen in aanvulling op de algemene beginselen van het ondernemingsrecht.34 Stevens, Van Ginneken en De Jongh nemen de redelijkheid en billijkheid tot uitgangspunt bij de toepassing van de RNA-norm.35 Ik meen inderdaad dat de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid de grondslag vormt voor de RNA-norm. De RNA-norm normeert immers de verhouding tussen het bestuur van de NV, de aandeelhouders en een eventuele stichting (als mogelijk toekomstig aandeelhouder) als institutioneel betrokkenen in specifieke situaties.
Tot slot nog een enkele overweging over de relevante passages in de Corporate Governance Code. Best practice-bepaling 4.2.6 van de Corporate Governance Code bepaalt dat het bestuur in het bestuursverslag een overzicht dient op te nemen van alle uitstaande of potentieel inzetbare beschermingsmaatregelen tegen een overname van zeggenschap in de beursvennootschap, waarbij aangegeven wordt onder welke omstandigheden en door wie deze beschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet.36 Daarnaast gaat de Corporate Governance Code nog specifiek in op het gebruik van certificering van aandelen, waarbij het uitgangspunt al sinds de Code Tabaksblat is dat dit instrument niet wordt gebruikt als beschermingsmaatregel.37 Naar mijn mening is dit voorschrift in de Corporate Governance Code rechtens onjuist nu er een expliciete wettelijke grond bestaat voor bescherming door middel van certificering.38 Uiteindelijk zal – ook in het systeem van de Corporate Governance Code – certificering geoorloofd zijn als beschermingsconstructie, mits het gebruik hiervan aan certificaathouders gemotiveerd ter kennis gebracht wordt.39