Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.7.3
3.7.3 Bezwaren tegen twee te onderscheiden elementen in het samenhangcriterium
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950276:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.7.4.
Zie § 3.7.2 over het arrest Theunissen/Verstappen.
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b)2022/42 en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/86. Zie voorts concl. A-G B.J. Drijber 15 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1326, par. 4.7 en concl. A-G Wuisman 19 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ8362, par. 3.4.
Zie in dat verband bijv. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/41, die uitgaat van een glijdende schaal van nauwelijks tot geen samenhang tot een zeer sterke samenhang, en Valk 2022b, aant. 2, onderdeel b, die refereert aan ‘hoe groter de samenhang’ en ‘een kleinere samenhang’, wat tevens een schaal impliceert. Zie ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349, die aannemen dat een ‘beperkte mate van connexiteit’ kan bestaan; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/945 (‘Hoe nauwer de samenhang (…)’) en Kruissen 2008, p. 69 die opmerkt dat ‘het vereiste van voldoende samenhang steeds ruimer wordt geïnterpreteerd’. Zie voorts Streefkerk 1992, p. 60-61.
Zie bijv. concl. A-G B.J. Drijber 15 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1326, par. 4.7 en concl. A-G Wuisman 19 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ8362, par. 3.4. Voorts bijv. Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349; Valk 2022b, aant. 3, onderdeel a; Krans & Wissink 2022/147; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/43-45; Asser/Sieburgh 6-I 2020/275-277; Asser/Hijma 7-I 2019/572; Klomp 2019a, aant. 10 en 11; Klomp 2019d, p. 185; Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/85; Dammingh & Klomp 2014, p. 34; Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/16 en 17; Kruissen 2008, p. 71-73; Hesselink 1999, p. 300; Aarts 1990, p. 111-112 en p. 114-115 en Fesevur 1988, p. 51-52 en 70-73.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209. Zie over deze omstandigheden hoofdstuk 4.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209. Zie ook Valk 2022b, aant. 3 onderdeel a; Krans & Wissink 2022/147; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/43; Klomp 2019a, aant. 10; Klomp 2019d, p. 185; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel b; Oosterveen & Frenk 2015, aant. 7 onderdeel a; Klomp & Dammingh 2014, p. 34; Logmans 2011, p. 46; Kruissen 2008, p. 73; Faber 2005, p. 254; Linssen 1993, p. 172; Streefkerk 1992, p. 61 en Fesevur 1988, p. 51 en 72-73. Zie voorts concl. A-G E.B. Rank-Berenschot 18 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1077, par. 2.7; concl. A-G B.J. Drijber 15 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1326, par. 4.7; concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent 14 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1018, par. 3.16 en concl. A-G A.S. Hartkamp 5 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO1213, par. 10. Zie anders Schoordijk 1979, p. 144, die opmerkt dat in het tweede artikellid is bepaald ‘wanneer er in ieder geval sprake is van connexiteit’; Clerx 1983, p. 428, die opmerkt dat volgens de wetgever ‘aan het vereiste van voldoende samenhang is voldaan in gevallen bedoeld in [art. 6:52 lid 2 BW]’ (cursivering GJB) en die ervan uitgaat dat op basis van dit artikellid kan worden bepaald ‘dat de samenhang voldoende is’, alsook Haak & Zwitser 2003, p. 374, die opmerken dat ‘het tweede lid voldoende samenhang aanneemt’. Zie ook anders Rb. Noord-Holland 10 november 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9901, r.o. 6.5 (“Uit het tweede lid van artikel 6:52 BW volgt dat sprake is van een zodanige samenhang als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.” (cursivering GJB)). Zie ook anders Vranken 1983, p. 31, die opmerkt dat in geval van dezelfde rechtsverhouding ‘in beginsel’ aan het samenhangcriterium is voldaan (zie in die zin ook § 4.5).
In de redactie van het samenhangcriterium in het ontwerp-Meijers was niet ‘voldoende’, maar ‘een zodanige samenhang’ vereist (zie § 3.7.4).
Tegen de interpretatie van het samenhangcriterium waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’ heb ik een aantal bezwaren. Ik denk dat die interpretatie niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Mijns inziens dient binnen het samenhangcriterium geen onderscheid te worden gemaakt tussen de genoemde vereisten, omdat zij geen zelfstandig te beoordelen vereisten vormen. Ik denk dat het bestaan van voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen een conclusie is die volgt op een boordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. In de terminologie van artikel 6:52 lid 1 BW bepalen de redelijkheid en billijkheid de mate van samenhang die voldoende moet zijn om opschorting in het concrete geval te rechtvaardigen.1
Het wel gemaakte onderscheid tussen twee vereisten binnen het samenhangcriterium leidt voorts tot een andere moeilijkheid. Evenals de Hoge Raad lijkt te hebben overwogen in het arrest Theunissen/Verstappen, gaat deze interpretatie uit van de mogelijkheid om te beoordelen of tussen verbintenissen over en weer samenhang bestaat.2 Evenwel ontbreekt een beoordelingsmaatstaf van ‘voldoende samenhang’ als zelfstandig vereiste. Daarom is het mijns inziens schier onmogelijk om, al dan niet in abstracto, te beoordelen of aan dit vereiste is voldaan. Een catalogus van gevallen waarin voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer bestaat, heeft de wetgever niet gegeven en is niet te geven.3 Wanneer in het algemeen geen overzicht is gegeven of te geven van gevallen waarin samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen bestaat, lijkt te minder mogelijk dat, al dan niet in abstracto, een nadere differentiatie in de mate van samenhang kan worden vastgesteld, die immers voldoende moet zijn.4
Om het samenhangcriterium toch meer handen en voeten te geven, wordt vaak op artikel 6:52 lid 2 BW gewezen.5 Dat is begrijpelijk, want de wetgever beoogde in dat artikellid het eerste artikellid te verduidelijken door ‘enige toepassingen’ daarvan te vermelden.6 Het tweede lid bepaalt dat een zodanige samenhang onder meer kan worden aangenomen als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Deze enkele toepassingen zijn te beschouwen als een nadere duiding van het samenhangcriterium. Tegelijk is de waarde van deze toepassingen betrekkelijk. De frase ‘kan onder meer’ impliceert dat het artikellid enuntiatieve of illustratieve omstandigheden bevat, die noch imperatief, noch uitputtend, noch limitatief bedoeld zijn.7 De conclusie dat de wederzijdse verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, kan, maar hoeft niet te betekenen dat tussen de vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. Bovendien, de concrete gevallen genoemd in artikel 6:52 lid 2 BW geven geen beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium of van een daarin te onderscheiden vereiste van ‘voldoende samenhang’. Het artikellid verwijst daarvoor met ‘een zodanige samenhang’ naar het samenhangcriterium in het eerste lid.8 Daarmee is nog geen antwoord gegeven op de vraag wanneer aan dat criterium is voldaan.