Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/8.4.5
8.4.5 Interventiewet
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS616879:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 40b lid 2 Onteigeningswet. In de Onteigeningswet, waar ik in dit boek niet op inga, wordt thans ook het begrip werkelijk waarde gehanteerd. Vroeger werd nog van de “betrekkelijke waarde” gesproken, maar daarbij ging het niet om waarde (als zodanig) maar om de betekenis voor de onteigende. Zie: C.H. Telders, Schadeloosstelling voor onteigening, Zwolle: N. V. Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink, 1968, p. 100.
R.o. 6.8, 6.9 en 6.75, Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 11 juli 2013, JOR 2013/250.
R.o. 4.12.3, HR 20 maart 2015, NJ 2015/361, JOR 2015/140.
R.o. 4.15.3, HR 20 maart 2015, NJ 2015/361, JOR 2015/140.
Ook de Wet financieel toezicht (“Wft”) hanteert het begrip “werkelijke waarde”, namelijk bij de schadeloosstelling in de Interventiewet. Voor de werkelijke waarde moet eerst het “te verwachten toekomstperspectief” zonder onteigening worden geschat, op grond waarvan de prijs die gegeven dat scenario op het tijdstip van onteigening in het vrije economische verkeer tussen redelijke partijen overeen zou zijn gekomen (art. 6:9 lid 1 Wft).1 Bij die veronderstelde vrije koop gaat het volgens de Hoge Raad niet om de prijs die de meest biedende gegadigde zou betalen (zoals de Ondernemingskamer overwoog),2 maar om de prijs die tussen redelijk handelende partijen tot stand zou zijn gekomen.3 Gelet op de in paragraaf 8.3 weergegeven definities, komt dit neer op de fair (market) value. De Hoge Raad heeft in dat verband benadrukt dat de regeling zelf niet verwijst naar een “meestbiedende gegadigde”. Ook de wetsgeschiedenis geeft geen aanwijzing dat bij de vaststelling van de prijs moet worden onderscheiden tussen verschillende redelijk handelende gegadigden en dat daarbij moet worden uitgegaan van een hoogste bieder. Het stelsel gaat uit van de veronderstelling dat er één prijs is waarover redelijk handelende partijen bij een veronderstelde vrije verkoop in het economische verkeer overeenstemming bereiken.4 Conform de uitleg van de Hoge Raad heeft de Ondernemingskamer de deskundigen in de SNS-casus vervolgens geïnstrueerd.5 Dit laat zien dat er een verschil is tussen de toepassing van de waarde in het economische verkeer bij de uitkoopprocedure (“meestbiedende gegadigde”) en de Interventiewet (“redelijk handelende partijen”).