Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/16.3.2
16.3.2 Aanvulling van uitgangspunten in de Grondwet
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947896:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.4.1.
Te denken valt met name aan gedetailleerde financieringsvoorschriften en het verenigingsvereiste voor naamsregistratie, zendtijd en subsidiegerechtigdheid. Ook het partijverbod geldt uiteraard als een beperking.
Staatscommissie-Van Schaik 1954, p. 55.
Staatscommissie-Van Schaik 1954, p. 55-56.
Zie par. 7.3.
Zie par. 7.4, waar ik aandacht besteedde aan de verschillende strafbepalingen die de stemvrijheid waarborgen.
In par. 7.5 gaf ik aan welke regels in de Kieswet gezien kunnen worden als waarborgen tegen ongeoorloofde beïnvloeding in de fase van de kandidaatstelling.
Zie par. 7.6.
Uit het hierboven gemaakte overzicht blijkt dat een aantal uitgangspunten onvoldoende door de Grondwet wordt beschermd. Samengevat gaat het om de uitgangspunten van kansengelijkheid en vrije verkiezingen. Dit laatste uitgangspunt valt zoals gezegd uiteen in de stemvrijheid en de afwezigheid van ongeoorloofde beïnvloeding in andere fasen van het verkiezingsproces. Het verdient aanbeveling om ook deze kiesrechtelijke uitgangspunten van een grondwettelijke grondslag te voorzien. Zij vormen een belangrijk onderdeel van een vrij en eerlijk verkiezingsproces. De Grondwet moet deze onderdelen weerspiegelen.
Juridische en feitelijke kansengelijkheid
In hoofdstuk 5 besteedde ik aandacht aan de grondwettelijke positie van politieke partijen. Daar bleek dat van een grondwettelijke vermelding van de politieke partij steeds is afgezien, uit vrees voor de beperkingen die een dergelijke vermelding zou kunnen uitlokken.1 Dat heeft de wetgever er echter niet van weerhouden om in de loop der jaren toch beperkingen op te leggen.2 Met de aangekondigde Wet op de politieke partijen bereikt de Nederlandse partijregulering een (al dan niet voorlopig) hoogtepunt, nu die wet onder andere nieuwe regels moet gaan bevatten over interne partijdemocratie, het voeren van verkiezingscampagnes en financiering van lokale politieke partijen. De vrees voor beperkingen kan niet langer worden aangevoerd als reden die aan grondwettelijke vermelding van de politieke partij in de weg staat. Daar komt bij dat verkiezingen zonder politieke partijen binnen het huidige constitutionele kader in praktische zin ondenkbaar zijn, zodat met recht kan worden gezegd dat het zwijgen van de Grondwet over de politieke partij een anomalie betreft.3
Ik bepleitte dan ook een grondwettelijke vermelding van de politieke partij. Die vermelding zou, conform het voorstel van de Staatscommissie-Van Schaik, gepaard moeten gaan met de clausule dat ‘de wet in het belang van een zuivere politieke wilsvorming regels kan stellen omtrent politieke partijen’.4 Die zuivere politieke wilsvorming kan op twee manieren worden gewaarborgd, te weten door activiteiten van politieke partijen te faciliteren (bijvoorbeeld met subsidies en zendtijd) en door politieke partijen in hun vrijheid te beperken (bijvoorbeeld met regels omtrent het ontvangen van giften of regels voor verkiezingscampagnes). Huidige en toekomstige partijregelgeving kan zo onder de noemer van ‘zuivere politieke wilsvorming’ vallen, maar dwingt de (grond)wetgever er in ieder geval expliciet toe om alle partijregelgeving in dat licht te beschouwen.
Met deze grondwettelijke vermelding van politieke partijen ontstaat tevens een waarborg voor het beginsel van kansengelijkheid, dat ook gezien moet worden als dienstig aan de zuivere politieke wilsvorming. De zuivere politieke wilsvorming vereist ten eerste een neutrale overheidsopstelling ten opzichte van de partijen en is daarmee te beschouwen als waarborg voor de juridische kansengelijkheid. Ook rechtvaardigt de zuivere politieke wilsvorming echter het nastreven van feitelijke kansengelijkheid door politieke partijen beperkingen op te leggen op het moment dat juridische gelijkheid in de praktijk tot ongelijkheid leidt.
Vrij kiesrecht
In aanloop naar de grondwetsherziening van 1983 werd de vraag aan de orde gesteld of ook het beginsel van vrije verkiezingen (vrij kiesrecht) in de Grondwet zou moeten worden opgenomen. 5De regering merkte op dat het uitgangspunt van vrije verkiezingen ‘ongetwijfeld (…) een wezenskenmerk van democratische verkiezingen’ genoemd mocht worden, 6maar tot een grondwettelijke vermelding kwam het na een uitgebreid maar warrig debat niet. Daarmee is dit ‘wezenskenmerk’ van een vrij en eerlijk verkiezingsverloop ten onrechte onvermeld gebleven. Deze omissie kan eenvoudig hersteld worden door, bijvoorbeeld in een derde lid bij artikel 53 Gw, te bepalen: ‘De verkiezingen zijn vrij.’
Daarmee ontstaat een waarborg voor de verschillende elementen van het beginsel die ik in hoofdstuk 7 identificeerde en die nu grondwettelijke bescherming ontberen. Het is aan de grondwetgever om deze elementen in de toelichting bij de grondwetsbepaling te definiëren, waarbij de inhoud van hoofdstuk 7 als voorzet kan dienen. ‘Vrij kiesrecht’ omvat ten eerste de stemvrijheid, die inhoudt dat de kiezer bij het uitbrengen van zijn stem door niemand onder druk gezet mag worden. 7Ook het uitgangspunt dat kiezers in de fase van kandidaatstelling niet aan ongeoorloofde beïnvloeding onderhevig gemaakt mogen worden, geniet zo grondwettelijke bescherming.8 Hetzelfde geldt, ten slotte, voor het uitgangspunt van vrije meningsvorming.9 Omdat het EHRM niet goed in staat is om dit laatste uitgangspunt te beschermen, anders dan door een neutrale overheidsopstelling ten opzichte van de kandidaten te vereisen, is een grondwettelijke waarborg hier des te belangrijker. De waarborg dwingt de (grond)wetgever om zich te buigen over de inhoud van de vrije meningsvorming, die naast een neutrale overheidsopstelling in ieder geval vereist dat kiezers bij het vormen van hun mening niet aan ongeoorloofde beïnvloeding onderhevig gemaakt mogen worden. Concreet betekent dit dat manipulatie van kiezers tijdens de verkiezingscampagne moet worden tegengegaan.