Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.5.4
7.5.4 Kwijtschelding schuldvordering
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458993:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de duidelijkheid merk ik op dat met de kwijtschelding de onzakelijke kwijtschelding is bedoeld en niet de zakelijke kwijtschelding.
Anders echter R.H. de Vries die van oordeel is dat de kwijtschelding van een schuldvordering niet kan worden aangemerkt als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, R.H. de Vries, Over technische wijzigingen, aflossingen om niet en andere vragen van aanmerkelijk belang, WFR 1998/6275, blz. 67.
Ook nu wordt belast het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de schuldvordering op grond van art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB verminderd met de verkrijgingsprijs van de schuldvordering (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.2).
Overigens leiden H. Mobach/L.W. Sillevis uit de algemene termen in de overwegingen van genoemd arrest af dat kwijtschelding van de vordering geen vervreemding is voor de aanmerkelijkbelangregeling, H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.G, Gouda Quint, Deventer.
Ter zake van de kwijtschelding van een schuldvordering speelt iets soortgelijks.1 Door de kwijtschelding van de schuldvordering verdwijnt immers een schuldvordering van de balans van de debiteur/vennootschap, waardoor de vorderingen van de overige crediteuren in waarde zullen toenemen en uiteindelijk de aandelen in de vennootschap in waarde zullen stijgen. Ook nu komt de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.2) tot een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling en wederom op grond van de fictieve vervreemding van art. 20a, zesde lid, onderdeel e, Wet IB, t.w. het aflossen van schuldvorderingen. In zijn visie moet de kwijtschelding van de schuldvordering worden gekwalificeerd als een aflossing om niet. Dit lijkt innerlijk tegenstrijdig, aangezien volgens het spraakgebruik een aflossing in elk geval met zich brengt dat vermogensbestanddelen - geld of anderszins - overgaan van (het vermogen van) de vennootschap naar (het vermogen van) de schuldeiser. Bij een kwijtschelding doet zich dit nu juist niet voor. Een kwijtschelding is immers een eenzijdig gerichte (rechts)handeling van de schuldeiser jegens de vennootschap; van een overgang van vermogensbestanddelen van (het vermogen van) de vennootschap naar (het vermogen van) de schuldeiser is geen sprake. Het lijkt mij derhalve niet juist om de kwijtschelding aan te merken als een aflossing (om niet). Mijns inziens heeft de staatssecretaris van Financiën de fictieve vervreemding van art. 20a, zesde lid, onderdeel e, Wet IB ook niet nodig om tot een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling te komen, aangezien naar mijn mening het bovenstaande betreffende de omzetting van een tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvordering in aandelenkapitaal evenzeer geldt voor de kwijtschelding van een dergelijke schuldvordering. Het effect van de kwijtschelding is immers dat de werkelijke waarde van de schuldvordering hetzij aanwast op de overige schulden van de vennootschap hetzij (uiteindelijk) op de aandelen in de vennootschap. Door de kwijtschelding doet de schuldeiser mijns inziens dan ook rechten overgaan uit zijn vermogen in dat van een ander, nl. in het vermogen van de debiteur/vennootschap. Deze laatste gaat er immers door de kwijtschelding in vermogen op vooruit, welke vermogensstijging vervolgens ten goede komt aan de overige crediteuren van de vennootschap en uiteindelijk aan de aandeelhouder(s) in de vennootschap. Dit is mijns inziens ook het geval in de extreme situatie waarin de enig crediteur van de vennootschap tevens de enig aandeelhouder is in de vennootschap. Ook dan nemen de aandelen die door de kwijtschelding in waarde stijgen, in het vermogen van de schuldeiser/aandeelhouder niet economisch dezelfde plaats in als voorheen de schuldvordering. Het verschil met de formele omzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal is enkel gelegen in het feit dat de aandeelhouder/schuldeiser bij een kwijtschelding geen nieuwe aandelen ontvangt, maar de werkelijke waarde van de prijsgegeven schuldvordering wordt teruggevonden in een waardestijging van de aandelen die hij reeds hield. Dit verschil in uitwerking lijkt mij echter niet tot een andere conclusie te leiden.2 Waar het om gaat, is dat de in waarde gestegen aandelen niet economisch dezelfde plaats in het vermogen van de schuldeiser/aandeelhouder innemen als voorheen de schuldvordering en dit doet zich zowel voor bij de formele omzetting van een schuldvordering in aandelen als bij de informele omzetting van een schuldvordering in aandelen (kwijtschelding).3 Hieraan doet mijns inziens niet af dat de Hoge Raad in HR 8 juni 1994, BNB 1994/238 oordeelde dat kwijtschelding van een vordering niet kon worden aangemerkt als een vervreemding in de zin van art. 27, eerste lid, Wet IB. Het begrip vervreemding in art. 20a Wet IB vervult immers een andere functie dan hetzelfde begrip in art. 27, eerste lid, Wet IB en het is mijns inziens geen bezwaar om voor verschillende bepalingen in de Wet IB tot een andere invulling van het begrip 'vervreemding' te komen.4