Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.3.1:6.3.1 Inleiding
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.3.1
6.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270065:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de vermogenssancties die van toepassing kunnen zijn op fiscale fraude. Hieronder vallen de geldboete, de verbeurdverklaring, en de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Misschien wat minder voor de hand liggend zijn de bespreking van de dwangsom, de uitsluiting van aftrek van criminele kosten, en de schadevergoeding wanneer de ontvanger zich heeft gevoegd als benadeelde partij. Later zal blijken waarom hiervoor aandacht is.
Onder de vermogenssancties valt op de eerste plaats de geldboete. De geldboete behelst de betaling van een geldbedrag aan de Staat. Voor geldboeten geldt dat zowel een bestuursrechtelijke als een strafrechtelijke ‘variant’ bestaat tot oplegging ervan. Beide zullen besproken worden. De bestuursrechtelijke geldboete wordt opgelegd bij beschikking.1 Als tweede wordt de sanctie van de verbeurdverklaring besproken. Hoewel deze sanctie op het eerste gezicht misschien minder voor de hand lijkt te liggen in geval van fiscale fraude, wordt in de literatuur opgemerkt dat de toepassing ervan in fiscale zaken toeneemt. Er bestaat alleen een strafrechtelijke ‘variant’ van de verbeurdverklaring.2 Als derde wordt de sanctie van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel belicht. Ook van deze sanctie (althans: onder deze noemer) bestaat enkel een strafrechtelijke toepassingsmogelijkheid. Hoewel de toepassing van deze maatregel op fiscale zaken uitgesloten wordt via art. 74 AWR, kan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in voorkomende gevallen toch in beeld komen. Deze gevallen worden besproken.3
Als vierde wordt onder de noemer van vermogenssancties aandacht besteed aan het afdwingen van verplichtingen met behulp van de (civiele) dwangsom, bijvoorbeeld via art. 52a lid 4 AWR. Een dwangsom is een dwangmiddel, en dus geen straf, maar naar aanleiding van recente jurisprudentie (die in paragraaf 7.2.3.3. zal worden besproken) wordt de roep om herbezinning op het terrein van de kwalificatie van een reactie van overheidswege (bijvoorbeeld onder de noemer van ‘dwangmiddel’) als ‘straf’ steeds luider. Het argument is dan dat de betreffende reactie een vergeldend karakter heeft. Dit argument wordt ook ten aanzien van de kwalificatie van het middel van de dwangsom genoemd. Omdat het onderwerp recent aandacht geniet wordt het thema hier aangesneden.4 Dezelfde overwegingen gelden voor de kwalificatie van de uitsluiting van criminele kostenaftrek als bedoeld in art. 3.14 Wet IB 2001. Recent is de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of de uitsluiting van kostenaftrek nadat tevens strafrechtelijk was vervolgd, strijd zou opleveren met het ne bis in idem-beginsel. Uit deze vraag blijkt ook dat niet helemaal duidelijk is hoe de uitsluiting van kostenaftrek moet worden aangemerkt.5 Tot slot wordt de (toewijzing van de) vordering (door de rechter) tot betaling van een geldsom aan de fiscus besproken, die voort kan komen uit de voeging door de ontvanger als benadeelde partij in het strafproces en in feite ook een vermogenssanctie behelst.6