De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.1:3.1 Inleiding
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583464:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel partijen in het privaatrecht in beginsel vrij zijn om contracten aan te gaan en de inhoud daarvan te bepalen, ligt dit – zoals in het vorige hoofdstuk is besproken – in het arbeidsrecht anders. Toepassing van het beginsel ongelijkheidscompensatie noopt daar tot beperking van de partijautonomie, door middel van dwingendrechtelijke bepalingen die de werknemer als zwakkere contractspartij beogen te beschermen tegen mogelijk misbruik door de werkgever als sterkere contractspartij. In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke rol deze beginselen hebben gespeeld bij de totstandkoming van het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag. De focus ligt in deze bespreking op de ontwikkeling van de definitie van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW, en de wijze waarop die definitie zich verhoudt tot de definities van de overeenkomst van opdracht in artikel 7:400 BW en de overeenkomst van aanneming van werk in artikel 7:750 BW.
Hierna volgt een bespreking van het eerste Burgerlijk Wetboek uit 1838 (paragraaf 3.2), de Wet op de Arbeidsovereenkomst uit 1907 (paragraaf 3.3), en het Nieuwe Burgerlijk Wetboek uit 1992 (paragraaf 3.4). Afsluitend wordt in paragraaf 3.5 een antwoord geformuleerd op de tweede deelvraag: Op welke wijze heeft het wettelijk kader inzake de kwalificatie van de arbeidsrelatie zich ontwikkeld sinds de inwerkingtreding van het eerste Burgerlijk Wetboek uit 1838, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?