Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3
3.3 De Wet op de Arbeidsovereenkomst
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583389:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid: Brugmans 1958, p. 66-82. Zie over de ontwikkelingen rondom de industriële revolutie onder meer Van der Ven 1968, p. 68-70 en p. 143-156 en Levenbach 1951, p. 226-235.
Brugmans 1958, p. 193.
Zo trad in 1874 het Kinderwetje van Van Houten in werking, gevolgd door de Arbeidswet in 1889, de Veiligheidswet in 1895, en de Ongevallenwet in 1901. Zie over deze ontwikkelingen uitvoerig: Koopmans 1962, p. 13-26. Zie voor een overzicht van de wijzigingen in het BW 1838 in reactie op maatschappelijke ontwikkelingen: Levenbach 1951, p. 235-247.
Koopmans 1962, p. 26. Omwille van de leesbaarheid wordt in het hiernavolgende eenvoudigweg verwezen naar ‘het wetsvoorstel’, waarmee het laatstverschenen wetsvoorstel wordt bedoeld, tenzij uitdrukkelijk anders wordt aangegeven.
In 1901 werd het voorstel aangeboden onder verantwoordelijkheid van Minister Cort van der Linden (kabinet Pierson, kabinet van ‘sociale rechtvaardigheid’) en in 1904 onder verantwoordelijkheid van Minister Loeff (kabinet Kuyper, liberaal). Zie hierover onder meer Koopmans 1962, p. 26-31.
Tegen het eind van de 19e eeuw veranderde het arbeidslandschap aanzienlijk. Dankzij de industriële revolutie kon er op grotere schaal arbeid worden verricht, zodat de beroepsbevolking in die tijd een flinke groei doormaakte.1 In de loop van de tijd werd zichtbaar dat de summiere en bovendien vrijblijvende regeling in het BW 1838 niet langer afdoende was. Het gebrek aan wettelijke waarborgen bleek onaanvaardbare situaties in de hand te werken: arbeiders werkten veelal tegen lage lonen en onder erbarmelijke arbeidsomstandigheden, met sociale misstanden tot gevolg. Langzaamaan ontstond het besef dat het ook de taak van de overheid was om ‘de zwakkere, onderdrukte individuen door nieuwe verbodsbepalingen en reglementen te steunen.’2 Dit besef leidde aan het eind van de 19e eeuw niet alleen tot de eerste publiekrechtelijke regelingen waarin de veiligheid van werknemers centraal stond, maar ook tot de eerste uitvoerige civielrechtelijke wettelijke regeling inzake arbeid.3
In 1891 ontving Drucker de opdracht tot het ontwerpen van een nieuwe wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst, welke hij in 1898 aan de regering aanbood onder de titel ‘Ontwerp van wet tot regeling van de arbeidsovereenkomst’. Dit ontwerp is vervolgens tweemaal – in beide gevallen in enigszins aangepaste vorm – als wetsvoorstel ingediend, in eerste instantie in 1901, en na een kabinetswissel opnieuw in 1904.4 In 1907 was de eerste regeling rondom de arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek een feit: in dit jaar werd de Wet op de Arbeidsovereenkomst in de Staatscourant gepubliceerd, waarna de wet in 1909 in werking trad (hierna: ‘BW 1909’).5 In paragraaf 3.3.1 wordt eerst stilgestaan bij de grondslagen en doelstellingen van de nieuwe regeling, waarna in paragraaf 3.3.2 wordt toegelicht hoe een en ander tot uitdrukking is gekomen in de wettelijke definities van respectievelijk de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van aanneming van werk, en de overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten.
3.3.1 De Wet op de Arbeidsovereenkomst: bescherming van de werknemer als ‘economisch zwakkere’ contractspartij3.3.2 De arbeidsovereenkomst, overeenkomst van aanneming van werk, en de overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten