Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.2
3.2 Het eerste Burgerlijk Wetboek
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583450:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de Code Civil viel arbeid onder de ‘louage d’ouvrage et d’industrie’, waar drie soorten huur onder vielen: de huur van dienstboden, de huur van voerlieden en schippers, en de huur van aannemers en ambachtslieden. Een en ander was in lijn met de Romeinsrechtelijke traditie, waar onder de overeenkomst van huur en verhuur onder meer vielen de overeenkomst van aanneming van werk (locatio conductio operis), een vorm van zelfstandige arbeid, en de overeenkomst van verhuur van diensten (locatio conductio operarum), een vorm van onzelfstandige arbeid. Voornoemde overeenkomsten waren in de praktijk van de oude Romeinen van zeer beperkte betekenis. Slavenarbeid was toentertijd ruim beschikbaar, zodat vrijgeborenen die betaalde arbeid wensten te verrichten doorgaans in een slechte onderhandelingspositie verkeerden. Zie hierover onder meer: Koopmans 1962, p. 6 en Van der Ven 1968, p. 54.
Zie hierover uitvoerig: Koopmans 1962, p. 5-13 en Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 16-21.
BW 7A Titel VII(‘Huur en Verhuur’), Afdeling 6 (‘Van aanneming van werk’), art. 1640 t/m 1653 BW 1838.
Hoewel eventuele leemtes konden worden opgevuld door de algemene wettelijke regeling inzake huur en verhuur, boden die regels in de praktijk weinig soelaas, nu deze algemene regels met name waren toegespitst op de huur van goederen. Daar kwam bij dat de regeling van 1838 bol stond van de terminologische verwarringen. Zo werden ten aanzien van dezelfde materie verschillende begrippen gebezigd. Waar in voornoemd art. 1585 werd gesproken van ‘huur van diensten, werk en van nijverheid’, werd in andere bepalingen verwezen naar (onder meer) ‘huur van dienst- en werkboden’, ‘huur van dienst- en werklieden’, ‘arbeiders en handwerkslieden’ en ‘dienstboden en arbeidslieden’, zie Koopmans 1962, p. 9.
Brugmans 1958, p. 204.
Bouwens e.a. 2021, par. 1.2, zie tevens Koopmans 1962, p. 5.
De wettelijke regeling omtrent arbeid in het eerste Burgerlijk Wetboek van 1838 (hierna: ‘BW 1838’) leek in nog geen enkel opzicht op de huidige wettelijke regeling. Zo werden de termen ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘overeenkomst van opdracht’ nog niet gebezigd, maar werd – in lijn met de Code Civil die tot 1838 gold – gesproken van overeenkomsten van huur en verhuur.1Titel VII van het BW 1838 (‘Van huur en verhuur’)regelde twee soorten huurovereenkomsten: de overeenkomst van de huur van goederen, en de overeenkomst van de huur van diensten, werk en nijverheid.2 De laatstgenoemde overeenkomst werd in artikel 1585 omschreven als de overeenkomst:
‘waarbij de eene partij zich verbindt om iets voor de andere, tegen betaling van eenen tusschen huur bepaalden prijs of loon, te verrichten.’3
Afdeling 5 van Titel VII bevatte aanvullende regels ten aanzien van de huur van ‘dienstboden en werklieden’. Die aanvullende regelgeving stelde niet bijzonder veel voor: slechts drie artikelen hadden specifiek betrekking op de overeenkomst van huur van diensten, werk en nijverheid.4 Zo bepaalde artikel 1637 dat men diensten slechts voor ‘eenen tijd, of voor eene bepaalde onderneming’ kon verbinden, en werd in artikel 1638 geregeld dat de ‘meester’ ten aanzien van het loon op zijn woord werd geloofd. Artikel 1639 regelde de beëindiging van de overeenkomst. Zo bepaalde dit artikel onder meer dat dienst- en werkboden hun dienst niet ‘zonder wettige redenen’ mochten verlaten. De ‘meester’ was daarentegen bevoegd om dienst- en werkboden ‘te allen tijde, zonder het aanvoeren van redenen, weg te zenden’. Afdeling 6 van Titel VII (‘Van aanneming van werk’) bevatte regels voor overeenkomsten van huur en verhuur die strekten tot het ‘laten maken van een werk’.5 Deze afdeling bevatte met name bepalingen omtrent de te gebruiken materialen, aansprakelijkheid van de aannemer en beëindiging van de overeenkomst. Een definitiebepaling ontbrak overigens: aanneming van werk viel eveneens onder de hierboven geciteerde algemene definitiebepaling van artikel 1585, zij het dat daarop de aanvullende regels van Afdeling 6 van toepassing waren indien de overeenkomst zag op het laten maken van ‘een werk’.
Al met al was de rechtspositie van werkenden in het BW 1838 zeer summier gereguleerd, zodat de nadere invulling van de rechtsverhouding grotendeels aan partijen zelf werd overgelaten.6 De partijautonomie voerde derhalve de boventoon in het BW 1838. Dit paste ook in de toenmalige tijdsgeest: het eerste Burgerlijk Wetboek kwam tot stand in een tijd waarin Nederland zich liet omschrijven als een liberale economie, waarin in het algemeen weinig sprake was van overheidsbemoeienis. In deze ‘nachtwakersstaat’ was het de taak van de overheid om ‘de hinderpalen weg te nemen, welke de vrije ontwikkeling in haren loop konde ontmoeten.’7 Het ‘vrije’ karakter van de regeling omtrent arbeid was mogelijk ook te verklaren doordat er in die tijd nog (relatief) weinig te reguleren viel. Arbeid werd met name verricht door zelfstandige boeren en kleine industriële bedrijven met weinig of geen personeel. Van een echte ‘arbeidersklasse’ was dan ook nog geen sprake.8