Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.3.3
6.3.3 Verbeurdverklaring
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270226:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bleichrodt en Vegter 2016, p. 5.
Tekst en commentaar Kluwer Navigator, art. 33 WvSr, Schuyt, aant. 2.
Volgens HR 28 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1571, NJ 1999/803 gaat deze toebehorenseis niet zo ver dat eigendom wordt vereist. Het is voldoende als de veroordeelde zeggenschap heeft over en belang heeft bij de voorwerpen dat zijn betrekking tot die voorwerpen in zoverre met die van eigenaar gelijk kan worden gesteld.
In geval van fiscale zaken is minder goed voorstelbaar dat de middelen waarmee, of soortgelijke varianten, als basis voor verbeurdverklaring gelden, aangezien het veelal een vorm van correspondentie met de fiscus betreft.
Inhoud en wettelijke grondslag
‘Verbeuren’ betekent letterlijk het recht ergens op verliezen, danwel het recht ergens op verspelen. De Code Pénal bevatte een algemene verbeurdverklaringsbepaling. Deze hield in dat alle goederen van de veroordeelde aan de Staat vervielen. Ook was verbeurdverklaring van bepaalde goederen mogelijk. Bleichrodt en Vegter schrijven dat de algemene verbeurdverklaring in 1813 uit de Code Pénal geschrapt en onder het Wetboek van Strafrecht van 1886 is verbeurdverklaring enkel mogelijk van daartoe aangewezen voorwerpen (deze zijn: ‘voor verbeurdverklaring vatbaar’) en alleen als de rechter deze straf oplegt.1
De verbeurdverklaring is geregeld in art. 33 t/m 34 WvSr. Het doel van de straf van verbeurdverklaring is het treffen van de veroordeelde in zijn vermogenspositie, daarom is sprake van een vermogensstraf. Het draagkrachtbeginsel van art. 24 WvSr is van toepassing op deze straf (aldus art. 33 lid 2 WvSr). Het is expliciet niet de bedoeling van de wetgever geweest om met verbeurdverklaring bescherming te bieden aan de maatschappij tegen gevaarlijke voorwerpen. Een dergelijke bescherming kan bereikt worden met de maatregel ‘onttrekking aan het verkeer’.2
Toepassing in fiscalibus
De straf van verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling ‘wegens enig strafbaar feit’, aldus art. 33 lid 1 WvSr. Alle fiscaal strafrechtelijke delicten komen dus in aanmerking voor deze sanctie. Voorwaarde is wel dat de voorwerpen die het betreft, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Volgens art. 33a lid 1 WvSr zijn de volgende voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring:
voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren3 of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.
Uit deze – uit art. 33a lid 1 WvSr overgenomen – opsomming blijkt dat steeds sprake moet zijn van een relatie tussen het voorwerp en het delict (de ‘vatbaarheid voor’ verbeurdverklaring).
Hierna volgen twee opmerkingen ter verklaring van in de wet gebruikte terminologie. Ten eerste worden onder ‘voorwerpen’ verstaan alle zaken en alle vermogensrechten, aldus art. 33a lid 4 WvSr. Ook (belasting)geld (of: het recht op betaling van een geldbedrag) kan dus verbeurd worden verklaard. Ten tweede een opmerking ten aanzien van het eerste voor verbeurdverklaring vatbare voorwerp: in het vervolg wordt (aangezien deze tweedeling bij de bespreking van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel nog terug komt) gesproken over ‘de verdienste’ als het gaat over voorwerpen die verkregen zijn ‘door middel van’ een strafbaar feit en over ‘het vervolgprofijt’ als het gaat over voorwerpen die verkregen zijn ‘uit de baten van’ een strafbaar feit.
‘Hoogte’
Zoals bleek uit hoofdstuk vier, zal een veroordeelde belastingplichtige (een variant van) de informatieverplichtingen richting de fiscus niet of niet op de juiste wijze hebben nageleefd, waardoor hij belastinggeld uit de schatkist houdt. In fiscale context is met andere woorden goed voorstelbaar dat voorwerpen – aan de fiscus onthouden belastinggeld – worden verbeurdverklaard die veroordeelde grotendeels ‘door middel van of uit de bate van’ het strafbare feit heeft verkregen. In feite kunnen de verdiensten en het vervolgprofijt van fiscale strafbare feiten dan worden ingenomen, mits deze aan hem toebehoren.4 Aan de hand van het volgende schema kan de hoogte van de verbeurdverklaring worden toegelicht.
Belastingplichtige heeft 60.000 euro op een bankrekening, welk bedrag hij niet aangeeft in de inkomstenbelasting
= Niet aangeven/geldbedrag
Hiermee is 1000 euro aan belasting bespaard (verdienste)
= Besparing van kosten/Door middel van
Dit gedrag heeft 600 euro aan rente-inkomsten opgeleverd (verdienste)
= Daadwerkelijk genoten voordeel/Uit de baten
Met dit geld heeft hij goederen aangeschaft die in waarde zijn vermeerderd (vervolgprofijt)
= Daadwerkelijk genoten voordeel/Uit de baten
Tabel 6.1
Tot slot: de relatie tussen belastingfraude en witwassen is in het kader van de straf van verbeurdverklaring ook relevant. Het is bij verbeurdverklaring immers vooral belangrijk dat de relatie tussen het strafbare feit en het voorwerp wordt bewezen. Zodra is bewezen dat geldbedragen (het voorwerp) zijn witgewassen, staat vast dat de geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf en is de relatie tussen het strafbare feit bewezen.5
Combinaties en voorwaardelijke opleggingsmogelijkheden
Op grond van art. 9 lid 5 WvSr kan – in de gevallen waarin de wet haar oplegging toelaat – een bijkomende straf zowel afzonderlijk als met hoofdstraffen en met andere bijkomende straffen worden opgelegd. De verbeurdverklaring is een bijkomende straf en kan worden gecombineerd met de gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf, geldboete, ontzetting van rechten en openbaarmaking van de uitspraak.
Op grond van art. 14a lid 3 WvSr kan de rechter bepalen dat bijkomende straffen geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zullen worden gelegd. Hierbij geldt de algemene voorwaarde van art. 14c lid 1 WvSr: de veroordeelde mag zich voor het einde van zijn proeftijd (als bedoeld in art. 14b WvSr) niet schuldig maken aan een strafbaar feit.