Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.9.3.5
7.9.3.5 Betekenis van het onderzoeksverslag en aanvullend bewijsmateriaal
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652237:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 19 juni 1997 (r.o. 3.10), NJ 1997/673, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1997/671); JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Bobel).
HR 19 mei 1999, NJ 1999/658, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1999/145, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Bobel).
Maeijer (onder 3) in zijn annotatie bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671 (Text Lite); Geerts (onder 2) in zijn annotatie bij OK 19 juni 1997, TVVS 1997, p. 253 (Bobel); Geerts (onder 3) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, Ondernemingsrecht 1999/51 (Bobel); Maeijer (onder 1) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, NJ 1999/658 (Bobel); Geerts 2004, p. 232; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779. Vgl. ook Geerts (onder 4) in zijn annotatie bij HR 16 augustus 1996, TVVS 1996, p. 322 (VHS); Geerts (onder 3) in zijn annotatie bij OK 27 maart 1997, TVVS 1997, p. 155 (Skipper Club Charter); Josephus Jitta (onder 7) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, JOR 1999/145 (Bobel).
HR 18 april 2003 (r.o. 3.21), NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA).
Broere 2017, p. 548; Veenstra, GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 9.3 (2020).
Conclusie A-G Mok (nr. 3.1.3.5; 3.2.2) voor HR 19 mei 1999, NJ 1999/658, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1999/145, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Bobel).
Verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW is slechts mogelijk indien verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken ‘uit het verslag blijkt’. In Bobel oordeelde de Ondernemingskamer dat zij haar beslissing op kostenverhaal mede kan baseren op hetgeen partijen naar aanleiding van het onderzoek en naar aanleiding van overgelegde stukken over en weer aanvoeren.1 De Hoge Raad casseerde, maar in het midden bleef in hoeverre de Ondernemingskamer ook gebruik mag maken van aanvullend bewijsmateriaal.2
De onderzoeker mag zich niet uitlaten over de mogelijkheid tot verhaal van de kosten van het onderzoek (par. 2.2.4.6). Het is aan de Ondernemingskamer om de in het onderzoeksverslag genoemde feiten en omstandigheden te kwalificeren als onjuist beleid, de verantwoordelijkheid hiervoor vast te stellen en verhaal van de kosten van het onderzoek toe te wijzen. De Ondernemingskamer kan naar aanleiding van het onderzoeksverslag een nader onderzoek instellen, maar het onderzoeksverslag dient steeds ten minste voldoende aanknopingspunten te bieden voor een oordeel over verhaal van de kosten van het onderzoek.3 Met Geerts en Veenstra meen ik evenwel dat de Ondernemingskamer bij de beoordeling van een verzoek op grond van art. 2:354 BW – analoog als in RNA werd geoordeeld ten aanzien van het uitspreken van het wanbeleid-oordeel4 – ook gebruik mag maken van aanvullend bewijsmateriaal.5 Betrokkenen tegen wie een kostenveroordeling wordt uitgesproken moeten bovendien in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord (par. 7.4.4). Betrokkenen kunnen dus nadere stellingen aanvoeren en onderbouwen met aanvullend bewijsmateriaal. Dat betekent redelijkerwijs dat de Ondernemingskamer met dit aanvullend bewijsmateriaal rekening moet houden.6