Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.2.2:7.2.2.2 Aanpassing aanwijzingssystematiek klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.2.2
7.2.2.2 Aanpassing aanwijzingssystematiek klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946135:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3 en de Wet strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme van 12 juni 2009 (Stb. 2009, 245).
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.1.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 4, paragraaf 3.3.3.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.2.2 en 2.1.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het volledig incorporeren van de regeling van klachtdelicten in het Wetboek van Strafvordering zou ook gelegenheid bieden om te voorzien in een overzichtelijkere aanwijssystematiek van klachtdelicten. Daartoe bestaat aanleiding omdat in hoofdstuk 3 is vastgesteld dat de huidige aanwijzingssystematiek leidt tot ongerijmdheden in de wetgeving. 1De wetgever heeft gepoogd op efficiënte wijze klachtdelicten aan te wijzen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door opeenvolgende klachtdelicten gezamenlijk als zodanig aan te wijzen en door aan het einde van een titel in één bepaling alle delicten in die titel als klachtdelict te bestempelen. Ook wordt gebruik gemaakt van schakelbepalingen. Daarmee wordt het relatieve klachtvereiste dat aan het einde van de titel inzake diefstal en stroperij in art. 316 lid 2 Sr is neergelegd ook van toepassing verklaard op andere titels. Deze systematiek leidt ertoe dat formeel ook strafbepalingen onder het bereik van voornoemd relatieve klachtvereiste vallen waarop het relatieve klachtvereiste niet van toepassing kan zijn, omdat die feiten uitsluitend tegen (overheids)instanties of tegen niemand in het bijzonder worden gepleegd. Het vele gebruik van schakelbepalingen en het daaruit volgende grote bereik van het relatieve klachtvereiste leidt daarnaast tot meer ongerijmdheden. Zo is afdreiging volgens art. 318 lid 3 Sr een absoluut klachtdelict, maar is dit vanwege de schakelbepaling in art. 319 Sr tevens een relatief klachtdelict. Hoe het absolute en het relatieve klachtvereiste zich bij deze bepaling tot elkaar verhouden, blijft echter onduidelijk. Een ander probleem is de latere toevoeging van nieuwe strafbepalingen aan titels die volledig worden beheerst door een relatief klachtvereiste, terwijl die nieuwe strafbepalingen hoofdzakelijk dienen ter bescherming van algemene belangen. Hierbij springt met name de strafbaarstelling van ‘terrorisme-varianten’ van diefstal, afpersing, verduistering, oplichting en vernieling in het oog. 2Al die feiten zijn geplaatst onder het bereik van een relatief klachtvereiste, terwijl de achtergrond van die strafbaarstellingen – alsmede de wetsgeschiedenis – doet vermoeden dat de wetgever zich daarvan niet bewust is.
De aanwijzing van klachtdelicten kan mijns inziens veel eenvoudiger en overzichtelijker worden vormgegeven. Bij een overheveling van de regeling van klachtdelicten naar het Wetboek van Strafvordering kan worden overwogen om in één wetsartikel alle klachtdelicten aan te wijzen, zoals bijvoorbeeld ook in één artikel is weergegeven ter zake welke delicten het spreekrecht kan worden uitgeoefend of waarvoor voorlopige hechtenis kan worden bevolen. 3In twee artikelleden zou concreet kunnen worden weergegeven voor welke delicten een absoluut dan wel een relatief klachtvereiste geldt. Met deze aanwijzingssystematiek is voor eenieder in één oogopslag duidelijk welk klachtvereiste op welke strafbepalingen van toepassing is. Zo kan zich ook niet meer de situatie voordoen dat de wetgever abusievelijk een strafbepaling binnen het bereik van een relatief klachtvereiste plaatst. De wetgever zal steeds weloverwogen een van de voornoemde klachtvereisten aan een strafbepaling moeten toevoegen door dat delict te vermelden in voornoemde bepaling in het Wetboek van Strafvordering.
Als voor deze aanwijzingssystematiek wordt gekozen, dan moet de wettekst van de voorgestelde bepaling invulling geven aan het onderscheid tussen beide vormen van het klachtvereiste. Dit betekent ten eerste dat één artikellid duidelijk moet maken dat bij absolute klachtdelicten steeds een klacht is vereist van de persoon jegens wie het strafbare feit is begaan. In hoofdstuk 3 kwam aan bod dat ten aanzien van alle klachtdelicten het uitgangspunt geldt dat aan die persoon – die door het feit is getroffen – het klachtrecht toekomt, behoudens bij de schending van bedrijfsgeheimen die strafbaar is gesteld in art. 273 Sr.4 De navolgende paragraaf 2.2.3 bevat enkele voorstellen voor wijzigingen ten aanzien van specifieke delicten en daarin wordt bepleit dat geen aanleiding bestaat om de afwijking in art. 273 Sr te handhaven. Dat betekent dat het niet is vereist om ten aanzien van diverse klachtdelicten steeds concreet weer te geven aan wie het klachtrecht toekomt. Volstaan kan worden met één algemene zinsnede dat het klachtrecht toekomt aan de persoon tegen wie het strafbare feit is begaan. Dit brengt ook tot uitdrukking dat alle deelnemingsvormen onder het bereik van het klachtvereiste vallen.
Ten aanzien van het relatieve klachtvereiste moet in het wetsartikel worden weergegeven bij welke familiaire relaties dit klachtvereiste toepassing vindt. Daarnaast moet de wettekst duidelijk maken dat het relatieve klachtvereiste uitsluitend geldt ten aanzien van aan het slachtoffer verwante daders en dat de klachtgerechtigde in dit geval de klacht kan beperken tot één of meerdere specifieke personen tot wie hij in de familiaire betrekking staat. Om deze invulling van het relatieve klachtvereiste tot uitdrukking te brengen kan aansluiting worden gezocht bij de huidige wettekst van art. 316 lid 2 Sr. Het is met name van belang dat wordt verwoord dat de vervolging “voor zover deze hem betreft” alleen plaatsheeft “op een tegen hem gerichte klacht”. Dit hangt samen met de functie van relatieve klachtdelicten, waarbij verdachten zonder familieband onverkort vervolgbaar zijn en de klachtgerechtigde de keuze heeft om bepaalde familieleden wel of niet in zijn klacht te betrekken. 5
Tot slot zal moeten worden voorzien in een aanvullende regeling voor art. 272, 418 en 419 van het Wetboek van Strafrecht. Deze delicten zijn eerder in dit onderzoek geduid als voorwaardelijk absolute klachtdelicten. 6Het zijn delicten die vallen onder de werkingssfeer van een absoluut klachtvereiste, maar dat klachtvereiste is slechts onder delict-specifieke omstandigheden van toepassing. Dit maakt dat in een aanvullende regeling moet worden voorzien die duidelijk maakt wanneer het aan deze delicten verbonden absolute klachtvereiste toepassing vindt. Ten aanzien van art. 272 Sr – dat het schenden van bepaalde geheimen strafbaar stelt – zal in een apart artikellid moeten worden vermeld dat dit delict uitsluitend op klacht wordt vervolgd indien dit tegen een bepaald persoon is gepleegd. Dat is bij deze strafbepaling immers niet altijd het geval en voorkomen moet worden dat het delict niet zou kunnen worden vervolgd doordat een klachtgerechtigde ontbreekt. Ten aanzien van art. 418 en 419 Sr – die het uitgeven en drukken van bepaalde geschriften en afbeeldingen strafbaar stellen – moet worden vermeld dat deze misdrijven uitsluitend op klacht worden vervolgd indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat ook alleen op klacht vervolgbaar is.
Het voorgaande leidt concreet tot het voorstel om in één wetsartikel in het Wetboek van Strafvordering alle klachtdelicten aan te wijzen. Uit de diverse artikelleden zal ten eerste moeten volgen op welke misdrijven een absoluut of relatief klachtvereiste van toepassing is. Ten tweede moet nader zijn geduid wie bij absolute en relatieve klachtdelicten als klachtgerechtigden hebben te gelden. Ten derde zal ten aanzien van het relatieve klachtvereiste nader moeten worden geduid dat de klacht bij deze feiten moet zijn gericht tegen één of meerdere specifieke personen tot wie de klachtgerechtigde in familiaire betrekking staat. Tot slot zal ten aanzien van art. 272, 418 en 419 Sr moeten zijn weergegeven onder welke omstandigheden het absolute klachtvereiste ten aanzien van die feiten toepassing vindt. Op deze wijze is in één oogopslag duidelijk bij welke delicten de vervolging van een klacht afhankelijk is. Het komt de overzichtelijkheid van de regeling van klachtdelicten ten goede en het maakt dat van de wetgever een bewuste afweging is vereist voordat een strafbepaling tot klachtdelict wordt bestempeld. Met deze nieuwe aanwijzingssystematiek is het niet meer mogelijk dat een nieuwe strafbepaling per abuis (via schakelbepalingen) onder het bereik van een klachtvereiste wordt gebracht.